Johan de Meester (1860-1931)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Johan de Meester
JohandeMeester1860-1931.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Eliza Johannes de Meester
Geboren Harderwijk, 6 februari 1860
Overleden Utrecht, 16 mei 1931
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Jaren actief 1882 - 1930
Genre romans
Stroming Realisme
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Eliza Johannes de Meester, (Harderwijk, 6 februari 1860Utrecht, 16 mei 1931), was een Nederlandse journalist, literatuurcriticus en auteur.[1] Johan werd geboren als zoon van burgemeester Gerrit Abraham de Meester en Theodora 'Tine' Hermina van Meurs‏.[2]

Toen Johan vier jaar was stierf zijn vader.[3] Enkele jaren later verhuisde moeder Tine met haar drie kinderen naar Zeist.[4] De negenjarige Johan kwam hier op een kostschool van de Hernhutters.[5] Zijn latere werk De Zonde in het deftige Dorp speelt in deze periode.[6] Nadat het gezin in 1875 naar Wageningen was verhuisd, verhuisden zij twee jaar later nogmaals, nu naar Voorst bij Zutphen.[7] Na korte tijd op een registratiekantoor in Zutphen te hebben gewerkt, kreeg Johan werk bij de Zutphensche Courant.[8] In deze tijd verscheen zijn bundeltje korte verhalen Kleingoed, Schetsjes en Silhouetten.[9]

Nadat hij in 1883 was verhuisd naar Amsterdam werd hij lid van het genootschap ‘Flanor’.[10] Daar kwam hij in contact met jonge schrijvers als Willem Kloos, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey.[11] In 1886 werd hij buitenlands correspondent in Parijs voor Het Handelsblad.[12][13] In Parijs schreef hij de roman Een Huwelijk.[14] In 1890 trouwde hij in Leiden met de schilderes en kunstcritica Augustine Hermine Obreen.[15] Ze kregen samen drie kinderen.[16] Hun tweede dochter was Annie Roland Holst-de Meester, hun derde kind was de latere acteur en regisseur Johan de Meester jr.

In 1891 werd Johan de Meester redacteur en recensent van de rubriek Kunst en Letteren in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.[17] Hij zou dit tot 1927 blijven doen.[18] Naast zijn werk hield De Meester letterkundige lezingen en was ook enige tijd redacteur van het letterkundige maandschrift Europa.[19] Van 1903 tot 1908 was hij redactielid van De Nieuwe Gids en van 1908 tot 1927 van De Gids.[20]

Johan de Meester was lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, het Utrechtsch Genootschap en de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam..[21]

In 1931 werd hij bijgezet in het graf van zijn dochter op Oud Eik en Duinen in Den Haag.[22]

Onderscheidingen[22][bewerken]

Bibliografie[23][bewerken]

  • De wijze van Dordrecht (1950)
  • Liefdetrouw (1930)
  • Eva (1929)
  • Het avontuur van David Zangvogel (1925)
  • Van haar luister beroofd (1923)
  • Walmende lampen' (1920)
  • Vertellingen van vroeger en later (1920)
  • Gezin (1920)
  • Goethe's liefdeleven (1919)
  • Dwaalpaadjes in den dooltuin der min (1918)
  • De kindsheid van Harlekijntje (1917)
  • Gedenk te leven (1917)
  • Carmen (1912)
  • De zonde in het deftige dorp (1912)
  • Lichte lijnen (1909)
  • Aristocraten (1908)
  • Iets over de literatuur dezer dage (1907)
  • Geertje (1905)
  • Louise van Breedevoort (1903)
  • Op weg naar Transvaal. Een verhaal voor meisjes (1902)
  • Allerlei menschen (1902)
  • Deemoed (1901)
  • Zeven vertellingen (1899)
  • Parijsche schimmen (1892)
  • Een huwelijk (1890)
  • Kleingoed (1882)