Johann Philipp Krieger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel gaat over een Duitse componist, organist en kapelmeester, voor de Duitse componist, organist, kapelmeester en jongere broer zie Johann Krieger (componist)
Johann Philipp Krieger
Gedenkplaten aan Slot Nieuw Augustusburg in Weißenfels
Gedenkplaten aan Slot Nieuw Augustusburg in Weißenfels
Volledige naam Johann Philipp Krieger
Geboren 26 februari 1649
Overleden 6 februari 1725
Land Vlag van Duitsland Duitsland
Nevenberoep kapelmeester, organist
Instrument orgel, piano
Leraren Johann Drechsel, Johann Schröder, Kaspar Förster jr., Johann Rosenmüller, Giovanni Battista Volpe, Giovanni Rovetta, Antonio Maria Abbatini, Bernardo Pasquini
Leerlingen Johann Philipp Förtsch (1652–1732), Christian Ludwig Boxberg (1670–1729), Johann Friedrich Fasch
Belangrijkste werken vele cantates, missen en andere kerkmuziek
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Johann Philipp Krieger (soms ook: Kriger, Krüger, Kruger, Krugl of Giovanni Filippo Kriegher) (Neurenberg, 26 februari 1649Weißenfels, 6 februari 1725) was een Duitse componist, kapelmeester en organist. Hij was een zoon van het echtpaar Hanns Krieger (tapijt maker) en Rosina Krieger, geboren Baumeister en de oudere broer van Johann Krieger.

Levensloop[bewerken]

Jeugd, opleiding en werk in Kopenhagen[bewerken]

Krieger kreeg al als kleine jong muziekles; op achtjarige leeftijd kreeg hij piano- en orgelles bij Johann Drechsel, zelf muzikant en een leerling van Johann Jakob Froberger. Verder werd hij opgeleid bij de gambaspeler Gabriel Schütz (1633-1710), die hem het bespelen van strijk- en blaasinstrumenten leerde. Een bepalende invloed had de organist Paul Hainlein (1626-1686) bij zijn opleiding als organist en voor zijn latere beslissing muzikant en componist te worden. Op 16-jarige leeftijd vertrok hij naar Kopenhagen en studeerde bij de organist Johann Schröder; soms verving hij Schröder als organist aan de Sint-Pieterskerk (Sankt Petri Kirke) in Kopenhagen. Tegelijkertijd studeerde hij muziektheorie en compositie bij de koninklijk Deense kapelmeester Kaspar Förster jr. (1616-1673). Konink Frederik III van Denemarken poogde hem aan Kopenhagen te binden en hij werd organist aan de "Onze-Lieve-Vrouwekerk" in Kopenhagen.[1] In 1667 werd hij naar Christiania, nu: Oslo, beroepen, maar op wens van zijn ouders naam hij deze beroeping niet aan.

Slot Mauritsburcht in Zeitz

Zeitz en Bayreuth[bewerken]

Rond 1669 kwam hij terug naar Neurenberg. In 1670/1671 was hij muzikant op slot Mauritsburcht aan het hof van Maurits van Saksen-Zeitz in Zeitz.[2] Vervolgens werd hij organist aan het hof van markgraaf Christiaan Ernst van Brandenburg-Bayreuth in Bayreuth, waar hij later tot tweede kapelmeester bevorderd werd. In het gevolg van de oorlog aan de zijde van de troepen van Keizer Leopold I tegen Frankrijk en de daaruit resulterende dwang, de muzikale activiteiten te beperken naam hij ontslag, maar kon de markgraaf nog er voor winnen een studie- en concertreis door Italië te steunen.

Studie- en concertreis door Italië[bewerken]

In 1674 reisde hij door Italië en concerteerde in Padua, Ferrara, Bologna, Florence en Napels.[2] Het volgden studies in Venetië bij Johann Rosenmüller in compositie, alsook bij Giovanni Battista Volpe voor klavecimbel en bij Giovanni Rovetta (orgel).[3] In Venetië raakte hij bevriend met Francesco Cavalli, Giovanni Legrenzi en Pietro Andrea Ziani. Verder studeerde hij in Rome bij Antonio Maria Abbatini (klavecimbel) en bij Bernardo Pasquini (compositie). Door Pasquini werd hem ook de gelegenheid geboden de orgel in de Pauselijke kapel te bespelen.[2] In Rome leerde hij ook de geleerde Athanasius Kircher kennen. Opnieuw vertrok hij naar Venetië en studeerde opera. Op de reis terug naar Duitsland bleef hij voor een bepaalde tijd ook in Wenen. Nadat hij voor Keizer Leopold I musiceert had, werd hij op 10 oktober 1675 door hem geadeld, naast alle broers en zusters.[1][4] Zijn in Italië aangekochte bladmuziek van Italiaanse componisten heeft hij in Wenen nog aangevuld met werken van Johann Heinrich Schmelzer en Johann Kaspar Kerll.[2]

Halle en Weißenfels[bewerken]

Slot Nieuw-Augustusburg in Weißenfels

Terug in Bayreuth werd hij in zijn oude functie weer aangesteld, maar al spoedig naam hij ontslag. Voor een korte tijd maakte hij een concertreis binnen Duitsland. Hij was in Frankfurt am Main en in Kassel en werd in 1677 kamermusicus en hoforganist aan het hof van hertog August van Saksen-Weißenfels in Halle. Al spoedig werd hij bevorderd tot adjunct kapelmeester en verhuisde samen met de nieuwe hertog Johan Adolf I van Saksen-Weißenfels de residentie. Op slot Nieuw-Augustusburg in Weißenfels ontstonden tussen 1685 en 1717 acht veelstemmige instrumentale werken, die als voorbeeld voor het vroege Duitse "Concerto Grosso" worden aangezien. Op 18 maart 1712 werd hij in Weißenfels tot kapelmeester benoemd.[4] Verder was hij kapelmeester aan het hof van hertog Christiaan van Saksen-Eisenberg in Eisenberg. Krieger zette alle werken, die onder zijn leiding aan het hof in Weißenfels en Eisenberg werden uitgevoerd, op een lijst. Daardoor is gebleken, dat hij rond 2500 cantates heeft componeert, van die rond 2200 spoorloos verdwenen zijn. Jammer genoeg zijn de muzikale werken van deze componist welhaast vergeten.

Familie[bewerken]

Hij was gehuwd met de vanuit Halle afkomstige Rosine Helene Nicolai (1666–1716), die tot het familie van Georg Friedrich Händel behoorde. Het echtpaar had samen vier kinderen, waarvan zijn zoon Johann Gotthilf Krieger (1687-1743) hem als organist aan het hof in Weißenfels opvolgde. De dochter Johanna Rosina Krieger was later gehuwd met Gottfried Grünewald (1673–1739), die wederom hofkapelmeester in Darmstadt was.

Trivia[bewerken]

In Weißenfels is een straat naar hem vernoemd, de Johann-Philipp-Krieger-Straße.[5]

Composities (uittreksel)[bewerken]

Missen en andere kerkmuziek[bewerken]

  • 1685: - Magnificat, voor sopraan, alt, tenor, bas, gemengd koor en orkest
  • 1686: - Die Gerechten werden weggerafft vor dem Unglück, treurmuziek voor sopraan, alt, tenor, bas, gemengd koor, viool, 2 viola da gamba, fagot en basso continuo - tekst: Jesaja, 57,1-2
  • 1688: - Ich will in aller Noth
  • 1689: - Ich harre des Herrn - Psalm 40, geestelijk concert voor alt (of bas), 2 violen en basso continuo
  • 1690: - Quam admirabilis, quam venerabilis
  • 1690: - Singet dem Herrn alle Welt
  • 1692: - Lobe den Herren, meine Seele - Psalm 146, geestelijk concert voor sopraan (of tenor), 2 violen en basso continuo
  • 1693: - Ecce nunc benedicite Domino, voor zangstem en orgel
  • 1693: - Es stehe Gott auf (Psalm 68), geestelijk concert voor sopraan (of tenor) 2 violen en basso continuo
  • 1693: - Freuet euch des Herrn - Psalm 33, geestelijk concert voor tenor (of sopraan), viool en basso continuo
  • 1693: - Gott, man lobet dich in der Stille - Psalm 65 (uit "Musicalischer Seelen-Frieden"), geestelijk concert voor sopraan (of tenor) 2 violen en basso continuo
  • 1693: - Ich will den Herrn loben allezeit - Psalm 34, geestelijk concert voor alt (of bas), 2 violen en basso continuo
  • 1693: - Musicalischer Seelen-Frieden - Ach Herr, wie ist meiner Feinde so viel, voor zangstem, 2 violen en basso continuo
  • 1693: - Rühmet den Herrn
  • 1694: - Der Herr ist mein Licht
  • 1695: - Benedicam Dominum in omni tempore
  • 1695: - Meine Seele harret nur auf Gott
  • 1696: - Herr, warum trittest du so ferne
  • 1697: - Herr auff dich trau ich - Psalm 31 (uit "Musicalischer Seelen-Frieden"), voor zangstem, 2 violen en basso continuo[4]
  • 1699: - Fortunae ne crede est
  • - Begräbniss-Andacht bey der Leiche eines lieben Kindes "Wer will mich nun von Jesu", voor gemengd koor en orgel[6]
  • - Missa in G majeur, voor sopraan, alt, tenor bas en orkest
  • - Weynacht-Andacht "Ihr Hirten verlasset", voor sopraan, 2 hobo's, fagot en basso continuo[6]

Muziektheater[bewerken]

(alle werken voor het muziektheater zijn spoorlos verdwenen)

Opera's[bewerken]

Voltooid in titel aktes première libretto
1681 Die drey Charites 4 juni 1681, Weißenfels
1686 Die bewährte Liebes-Kur 1686, Eisenberg
1688 Cecrops Mit seinen drey Töchtern 2 november 1688, Weißenfels Paul Thymich
1689 Die ausgesöhnte Eifersucht oder Cephalus und Procris 1689, Weißenfels Paul Thymich
1690 Der Großmüthige Scipio 2 november 1690,[7] Weißenfels Paul Thymich
1690 Der wahrsagende Wunderbrunnen 1690, Weißenfels
1696 Die lybische Talestris 1696, Weißenfels
om 1700 Phoebus und Irene om 1700, Weißenfels

Zangspelen[bewerken]

Voltooid in titel aktes première libretto
1683 Der Höllen-Stürmende Liebes-Eifer, Orpheus und Eurydice, zangspel 7 mei 1683, Eisenberg
1688 Die glückselige Verbindung des Zephyrs mit der Flora 1688, Weißenfels Paul Thymich
1688 Von der gedrückten und wieder erquickten Eheliebe, treur-/vreugdespel 1688, Weißenfels
na 1689
voor 1692
Der wiederkehrende Phoebus Weißenfels
1693 Wettstreit der Treue herdersspel 1693, Braunschweig Friedrich Christian Bressand
1693 Hercules unter den Amazon 1693, Weißenfels Friedrich Christian Bressand
1696 Phoebus und Iris 1696, Weißenfels

Tafelmuziek[bewerken]

  • 1681: - Die Demuth - tekst: Johann Riemer
  • 1684: - Die unverwandelte Daphne In der beständigen Helena, avondmuziek - tekst: Johann Riemer
  • na 1692: - Flora, Ceres und Pomona, maskerade - tekst: Philipp Christian Heustreu
  • 1692: - Mars und Irene - tekst: Philipp Christian Heustreu - première: 2 november 1692, Weißenfels
  • 1693: - Ganymedes und Juventas - tekst: Philipp Christian Heustreu
  • 1694: - Das frohe Gemüte durch himmlische Güte - tekst: Philipp Christian Heustreu
  • 1695: - Chronus, Apollo, Fortuna, Constantia - tekst: Philipp Christian Heustreu
  • 1695: - Die glückliche Vereinigung des Verhängnüßes, der Tugend und der Zeit - tekst: August Bohse
  • 1696: - Unterthänigstes Freuden-Opfer - tekst: August Bohse
  • 1707: - Tafelmusik bei der Rückkehr Joh. Georgens und Frederica Elisabeth aus dem Emser-Bade - tekst: Johann August Meister

Vocale muziek[bewerken]

Cantates[bewerken]

  • 1670/1688: - Surgite cum gaudio, cantate voor sopraan en instrumenten
  • 1687: - Singet dem Herrn, cantate voor sopraan, alt, tenor, bas, gemengd koor, 2 violen, 3 altviolen, fagot en basso continuo
  • 1688: - Ein feste Burg ist unser Gott, koraal cantate voor gemengd koor en orkest
  • 1688: - Heut singt die werte Christenheit, paascantate voor sopraan, bas, tweestemmig koor, trompet, 2 violen en basso continuo
  • 1688: - O Jesu, du mein Leben, Epifanie cantate voor alt, viool, viola da gamba en basso continuo
  • 1689: - Wo willst du hin, weil's Abend ist, cantate voor 2 sopranen (of 2 tenoren) en klavecimbel - tekst: Angelus Silesius
  • 1690: - Der Herr ist mein Hirt - Psalm 23, cantate voor sopraan, viool en basso continuo
  • 1696: - Träufelt, ihr Himmel, von oben, kerst cantate voor sopraan (of tenor), 2 hobo's (of 2 blokfluiten, of 2 dwarsfluiten, of 2 violen), altviool, cello en basso continuo
  • 1697: - Uns ist ein Kind geboren, cantate voor sopraan, alt, bariton, gemengd koor, 2 violen, cello en basso continuo
  • 1699: - Rufet nicht die Weisheit, cantate voor sopraan, alt, tenor, bas, strijkorkest en orgel
  • - Der Herr ist mein Licht, cantate voor sopraan, bas, 2 violen en basso continuo
  • - Heilig ist der Herr, kleine cantate voor gemengd koor, hobo, strijkorkest en orgel
  • - Mein Gott, dein ist doch alles, cantate voor 2 sopranen, bas, 2 violen en basso continuo
  • - Rose im Thal, cantate[6]
  • - Singet dem Herrn, alle Welt - Psalm 96 (uit "Musicalischer Seelen-Frieden"), cantate voor bas (of alt), 2 trompetten en basso continuo
  • - Singet fröhlich Gotte - Psalm 81 (uit "Musicalischer Seelen-Frieden"), cantate voor alt (of bas), 2 trompetten, viool en basso continuo

Liederen[bewerken]

  • 1690: - Aria's en duetten uit "Der wiederkehrende Phöbus", voor sopraan, tenor en klavecimbel[6]
  • 1690: - Lebe, lebe du Durchlauchtges Haupt! - aria vanuit "Der wiederkehrende Phöbus", voor sopraan en klavecimbel[6]
  • 1692: - Drie selecties uit "Der grossmüthige Scipio", voor zangstem en klavecimbel[6]
  • 1692: - So spinnen die Parcen - uit "Ehe-Liebe", voor 3 sopranen en klavecimbel[6]
  • - Quam admirabilis, voor tenor, 2 violen en basso continuo[6]
  • - Vierundzwanzig Lieder und Arien, voor een zangstem en basso continuo[8]
  • - Wurst wider wurst, suite naar liederen voor sopraan, alt, tenor, bas, klavecimbel (of piano), trompet en contrabas
    1. Wurst wider Wurst
    2. Die Frauen wider die Männer
    3. Theobald in Geldnöten
    4. Die Mäner wider die Frauen

Kamermuziek[bewerken]

  • 1688: - XII Sonate à due Violini
  • 1693: - XII suonate a doi, voor viool en viola da gamba, op. 2
  • 1704: - Suite nr. 2 uit "Lustige Feldmusic", voor strijkkwintet
  • 1704: - Lustige Feldmusic, voor vier blaas- of andere instrumenten

Bibliografie[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Philipp Spitta: Johann Philipp Krieger in: Allgemeine Deutsche Biographie (ADB). Band 17, Duncker & Humblot, Leipzig 1883, pp. 458 f.
  2. a b c d Franz Krautwurst: Johann Philipp Krieger in: Neue Deutsche Biographie (NDB). Band 13, Duncker & Humblot, Berlin 1982, ISBN 3-428-00194-X, pp. 41 f.
  3. Felix Joseph von Lipowsky: Johann Philipp Krieger in: Baierisches Musik-Lexikon, München, 1811.
  4. a b c Robert Eitner: Biographisch - Bibliographisches Quellen-Lexikon der Musiker und Musikgelehrten der christlichen Zeitrechnung bis zur Mitte des neunzehnten Jahrhunderts, Leipzig: Breitkopf & Härtel, 1901.
  5. Johann-Philipp-Krieger-Straße in Weißenfels
  6. a b c d e f g h Robert Eitner: Johann Philipp Krieger: eine Sammlung von Kantaten, einer Weihnachts-Andacht, einer Bergräbnis-Andacht, Arien und Duette aus seinen Singspielen, zwei Sonaten für Violine, Viola da Gamba und Bassus continuus und zwei Partien aus der Lustigen Feldmusik zu 4 Instrumenten, Leipzig: Breitkopf & Härtel, 1897-1898. Monatshefte für Musikgeschichte. Beilage.
  7. Première van de opera Der Großmüthige Scipio op de 41e geboortedag (2 november 1690) van de hertog van Saksen, Jülich, Cleve en Berg Johan Adolf I van Saksen-Weißenfels
  8. Hans Joachim Moser: Vierundzwanzig Lieder und Arien für eine Singstimme und Basso continuo, Kassel: Nagels Verlag; New York: Ass. Music Publishers, 1930. Nagels Musik-Archiv, 174-175