Johanna Maria van Winter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Johanna Maria (Marietje) van Winter (Amsterdam, 27 november 1927) is een Nederlandse historica, grafiekverzamelaar en emeritus hoogleraar in de middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in de Gelderse geschiedenis en de middeleeuwse keuken met haar gebruik van specerijen.

Biografie[bewerken]

Van Winter is een lid van de adellijke familie Van Winter en draagt het predicaat jonkvrouw. Haar roepnaam voor intimi is Marietje, maar onder wetenschappers en in publicaties wordt zij gewoonlijk met haar volledige voornamen aangeduid. Haar vader, Pieter Jan van Winter (1895-1990), was hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij en haar zus zijn de laatste telgen van het adellijke geslacht Van Winter.

Van Winter studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Gent met het hoofdvak middeleeuwen, en promoveerde in 1962 op het proefschrift Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen dat nog altijd als een standaardwerk beschouwd wordt. Vanaf 1963 werkte ze aan een studie naar de Johannieters waarover ze in 1998 het boek Sources concerning the Hospitallers of St. John in the Netherlands, 14th-18th centuries publiceerde. In 1965 verscheen van haar Ridderschap, ideaal en werkelijkheid dat meerdere malen is herdrukt.

Sinds 1953 werkte zij aan de universiteit in Utrecht onder Diederik Enklaar in het vakgebied van de middeleeuwse geschiedenis, om daar in 1972 een persoonlijk lectoraat te verwerven. Tussen 1980 en 1988 was zij persoonlijk hoogleraar middeleeuwse geschiedenis.

In 1988 nam prof. jkvr. dr. Johanna Maria van Winter afscheid als hoogleraar, maar nog altijd is zij actief in het onderzoek en de academische wereld. Zij richt zich met name op de geschiedenis van de adel in Gelderland en op de middeleeuwse kookkunst en voedingsleer. In 2003 zat ze in de redactie van de herziene Nederlandse editie van Het hertogdom Gelre.

In 2014 kondigde ze aan dat ze haar grafiekverzameling, bestaande uit ongeveer 800 werken, wil legateren aan het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum Amsterdam.[1]

Op 22 augustus 2015 werd haar een interview afgenomen waarin zij vertelde over haar ervaringen als vrouw in de academische mannenwereld.[2]

Nevenfunctie[bewerken]

  • Lid Raad van advies van Stichting Vrienden van Leeuwenbergh[noot 1]

Bibliografie (selectie)[bewerken]

  • Suriname. Een slavenkolonie in de vorige eeuw. Schiedam, [1954].
  • Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen. Utrecht, 1962 (dissertatie)
  • Ridderschap. Ideaal en werkelijkheid. Bussum, 1965.
  • Johanniters, Tempeliers, Duitse orde : drie geestelijke ridderorden. Kampen, [1969].
  • Van soeter cokene. 52 recepten uit de Romeinse en middeleeuwse keuken. Bussum, 1971.
  • Utrecht, centraal of marginaal?. Utrecht, 1988 (afscheidsrede).
  • Communicatie uit middeleeuws perspectief. Raalte, 1990.
  • Zorg voor de zieken en strijd voor het geloof. Utrecht, 2001.
  • Spices and Comfits. Collected Papers on Medieval Food. Totnes, 2007.

Externe link[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Over stadsgeschiedenis. Voor Johanna Maria van Winter. Utrecht, 1988.
  • Convivium. Aangeboden aan prof. jkvr. dr. J.M. van Winter bij haar afscheid als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Hilversum, 1988 [met op p. 201-216 bibliografie van J.M. van Winter].