Naar inhoud springen

Kamadeva

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Kamadeva, 18e-eeuwse gravure van J. Higginbotham

Kamadeva (god van begeerte, van 'kama', begeerte en 'deva', god, Kaamdew) is een god in het hindoeïsme. Hij is de god van de liefde, hetzij de seksuele begeerte, hetzij de impuls tot het goede.[1] Zijn vrouwen zijn Rati en Prithi en zijn vahana (rijdier) is de papegaai Suka. Met zijn pijl-en-boog maakt hij de begeerte in goden en mensen wakker. Een van zijn namen is 'gehoorzaam aan Indra'. Hij wordt ook Madana (hij die dronken maakt van liefde) genoemd (hoewel Madan ook voor zijn broer doorgaat), Kandarpa, Ananga (Atanu, zonder lichaam), Manmatha (hij die de geest opwindt), Mara (hij die verwondt), Pradyumna (hij die alles overwint) en Kushumesu (hij wiens pijlen bloemen zijn).

Na door Shiva dodelijk te zijn getroffen toen hij Shiva en zijn vrouw Parvati wilde verenigen, werd hij weer tot leven gewekt en, volgens een versie in de Matsya Purana, als Pradyumna, Krishna's zoon, herboren.

Als eerste wezen dat ontstond, als symbool van de oerbegeerte, die de schepping voortbracht, stond hij boven mensen en goden.[1]

In de Rig Veda wordt Kama beschreven als de eerste beweging in de Ene, nadat het tot leven was gekomen door de kracht van hartstocht of abstractie. In een hymne wordt gezegd dat hij niet geëvenaard wordt door de goden. En volgens een andere hymne is hij de god van de seksuele liefde. Op die manier komt hij ook in de Purana's voor. In de Atharva-Veda wordt Kama, het algemeen goede, vereerd als een grote macht, superieur aan alle goden, aangeroepen om van vijanden verlost te worden.[2] Volgens de Shiva Purana is Kama de uit het hart geboren[1] zoon of schepping van Brahma. In de Skanda Purana is Kamadeva de broer van Prasudi en zijn zij de kinderen van Shatarupa (zij van de 100 schone vormen), een schepping van Brahma. Volgens latere interpretaties is hij de zoon van Vishnoe. In de Vishnu- en Bhagata Purana is Kamadeva de naam van zowel Vishnoe, als van Shiva en Krishna. In de Atharvaveda is Kamadeva ook de naam van de vuurgod Agni.

De Mahabharata vertelt dat Dharma (de wet, gerechtigheid) uit de rechterborst van Brahma werd geboren en dat Sama, Kama en Harsa Dharma's drie zonen zijn. Shradda, de godin van het vertrouwen, was daarbij Kamadeva's moeder.[1]

In sommige versies is Kamadeva de zoon van Sri Lakshmi, de godin van de liefde en echtgenote van Vishnoe.[3]

Dood en verrijzenis

[bewerken | brontekst bewerken]

In de Matsya Purana en andere Purana's wordt de mythe verteld van Madana-bhasma (Kuma Dahana), de verassing van Kamadeva door Shiva. Indra en de deva's (goden) leden onder het bewind van de asura (demon) Tarakasura, die alleen door een zoon van Shiva kon worden overwonnen. Maar Shiva leefde als asceet sinds Sati (vorm van Devi, Uma, Adi Shakti) was overleden. Ze was echter herboren als Parvati (dochter van Parvat, Himavat, de leider van de bergen). Brahma gaf het advies dat Kamadeva Parvati en Shiva bij elkaar zou brengen. Kamadeva creëerde een voorjaarsdecor en nam de vorm aan van een zuidelijk briesje. Zo ging hij de verblijfplaats van Shiva binnen en raakte hem met zijn liefdespijl. Toen Shiva zijn derde oog opende, verpulverde hij Kamadeva tot as. Vervolgens zag hij Parvati en samen wekten ze Kamadeva weer tot leven, maar zonder lichaam (Ananga, Atanu, lichaamloze). Kamadeva werd zo verspreid over de kosmos en maakte de begeerte in de mensen wakker. Shiva huwde Parvati en via omwegen werd hun zoon Kartikeya geboren, die Tarakasura wist te verslaan.

Volgens een andere mythe was het Parvati, die Kamadeva vroeg haar echtgenoot Shiva te herinneren aan zijn echtelijke plichten. Shiva mediteerde op de berg Kailasa en moest zijn meditatie volbrengen voor de voortgang van de kosmische kringloop. Toen Shiva zag dat Kama een pijl op zijn boog legde en op hem richtte, trof Shiva hem met een bliksemschicht. Later bracht hij kama weer tot leven.[4]

Volgens de Matsya Purana reïncarneerde Kamadeva, na zijn verassing, als Pradyumna, de zoon van Krishna en zijn vrouw Rukmini. De demon Shambara ontvoerde het kind uit de wieg, omdat hij had gehoord (van Narada) dat hij door de jongen zou worden gedood, en wierp het kind in zee. Een vis at Pradyumna op en die vis werd gevangen en verkocht aan de nietsvermoedende Shambhara. Mayavati, Shambhara's vrouw, en incarnatie van Rati, ontdekte het kind toen ze de vis opensneed. Narada vertelde haar dat dit kind eigenlijk haar echtgenoot Kama was en hielp haar het kind onzichtbaar te maken, zodat ze het in het geheim groot kon brengen. Ouder geworden dacht Pradyumna nog steeds dat Mayavati zijn moeder was en ging niet op haar avances in. Mayavati vertelde hem dat hun zielen Kama en Rati waren, ze werden geliefden en Mayavati werd zwanger. Toen Shambhara Mayavati mishandelde, doodde Pradyumna de demon, en leefden Pradyumna en Mayavati daarna als man en vrouw. Toen Pradyumna in een gevecht sneuvelde, keerde hij terug naar de hemel en korte tijd later voegde Rati zich bij hem.[5] Volgens de Vishnoe Purana was het niet Mayavati, maar Mayadevi, en volgens de Bhagavata was zij niet Sambara's vrouw, maar zijn dienares en had zij van Parvati vernomen, dat Kama herboren zou worden in het huis van Kala Sambara.[6]

Kamadeva wordt voorgesteld als een knappe, jongeman met een groene huid en gewapend met een pijl-en-boog. De boog is van suikerriet, het koord van honingbijen en de pijlen van vijf soorten geurige bloemen: bloemen van de Ashoka boom (symbool van de liefde), witte en blauwe lotusbloemen, jasmijn (Mallika) en bloemen van de mangoboom. Zijn vrouw Rati (begeerte, zinnelijkheid, godin van seksuele hartstocht) draagt een lotus en een discus. Zij is een dochter van Prajapati Daksha en uit diens zweet geboren. Priti is ook een vrouw van Kamadeva. Kamadeva reist 'door de drie werelden' op de papegaai Suka, is omringd door zoemende bijen en zachte briesjes en is de metgezel van de lentegodin Vasanta. Kamadeva heerst over de Apsara's, de hemelse nimfen.

Holi (Madana-Mahotsava of Kama-Mahotsava, Holika of Vasanta) is het feest van Kamadeva.

  • R. Storm, Oosterse Mythologie, p. 130-1
  • C. Scott-Littleton, Mythologie, p. 374-5, 382
  • W.J. Wilkins, Hindu mythology, p. 256-261,
Zie de categorie Kamadeva van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.