Knipklei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Knipklei is een zware zeeklei, met een slechte prismatische bodemstructuur en een laag kalkgehalte, die zeer moeilijk te bewerken is.

De sterk natriumhoudende kleien zijn gevoelig voor zwel- en krimpverschijnselen en verslemping. In natte toestand zwelt de klei snel dicht en neemt geen water meer op. Bij droogte wordt de klei keihard en ontstaan er scheuren. Door uitdroging raken aan de bovenzijde bodemdeeltjes los en deze vullen de diepe scheuren op. Het volume neemt zo toe en er treedt verdichting van de bodem op. Door verslemping vullen lutum en silt deeltjes de poriën aan de bovenzijde op en ontstaat er een dichte slempkorst. De teelt van landbouwgewassen is onder deze omstandigheden niet goed mogelijk. Knipkleigebieden worden daarom meestal als grasland voor de melkveehouderij gebruikt. Deze klei is zeer geschikt voor de steenfabricage, zoals baksteen, stenen (gres) buizen en dakpannen. Nadat de laag knipklei is verwijderd en verwerkt in de steenfabriek, kan de bodem geschikt worden gemaakt voor landbouw.

De benaming 'knipklei' die in Nederland landelijk wordt gebruikt, is afkomstig uit Friesland. In Groningen sprak men vroeger van knikklei en in Noord-Holland van pikklei. In Duitsland wordt het Knick of Knickmarsch (ook wel Brackmarsch) genoemd.[1] De herkomst van de Noord-Hollandse benaming zou afkomstig zijn van het feit dat de aarde als pik aan de werktuigen vastkleeft.[2]