Melkveehouderij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Minder boeren en meer robots in Nederland

De melkveehouderij is het houden van zoogdieren voor het verkrijgen van de melk van de moederdieren voor de consumptie door mensen. In de meeste gevallen heeft de melkveehouderij betrekking op koeien. Echter worden er ook waterbuffels, schapen, geiten, paarden, kamelen en (in Italië) ezels gehouden voor melk. Omdat melkveehouders vaak, in tegenstelling tot de intensieve veeteelt van kippen en varkens, ook grond hebben voor de voedselvoorziening van hun dieren, worden ze ook wel landbouwers genoemd. In Nederland waren in 2020 ongeveer 16 275 bedrijven met melkkoeien en 2 140 bedrijven in de schapen- en geitenhouderij.[1]

Het Holstein-Friesian koeienras is wereldwijd het meest gebruikte melkveeras. Ook de Jersey wordt veel gemolken, maar die heeft een hoger vetgehalte en is daarom in Europa minder populair. Beide rassen zijn 'melktypisch', ze hebben een magere bouw en een gunstige genetische aanleg. Door ver doorgevoerde selectie en het gebruik van krachtvoer zijn ze in de loop van de twintigste eeuw steeds meer melk gaan produceren.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Na de hond was de geit ongeveer 10.000 tot 8.000 voor het begin van de jaartelling het eerste gehouden dier. Deze domesticatie vond het eerst plaats in het Midden-Oosten (Iran - Irak). Daarna volgde rund en schaap in het zelfde gebied, dat was in ongeveer 8.000 v. Chr. Ze werden niet voor hun melk gehouden, maar voor de wol (schaap) of trekkracht (rund), leer en vlees (geit, schaap en rund).[2] Het is niet zeker wanneer men ontdekte dat deze dieren ook gehouden konden worden voor hun melk. De eerste tekenen dat dieren gemolken werden komen uit noordwest Anatolië zo'n 7.000 jaar v. Chr. In de millennia die volgden kwam melk op steeds meer plekken voor: zo'n 5.000 v. Chr. in Afrika, 4000 v. Chr. in Engeland en Noord-Europa.[3]

De melkkoe stamt af van de oeros, die in de achttiende eeuw is uitgestorven. Deze grote koe, met een schofthoogte van 1.5m, was roodbruin van kleur, terwijl de stier, die een schofthoogte tot 2m had, zwart van kleur was. Van nature zullen er ook bonte dieren zijn geweest, maar aangezien witte vlekken snel opvallen in de natuur waren die kwetsbaarder. Het is waarschijnlijk dat de bonte runderen de eerste waren die de mens heeft gedomesticeerd. Daarna zijn er, door gerichte fokkerij, veel verschillende rassen ontstaan.

Melken[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Melkmachine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Melkveehouderij is al duizenden jaren onderdeel van het bestaan. Het melken vond met de hand plaats, waarbij een melker ongeveer een dozijn koeien per dag kon melken. Het melken vond gewoonlijk tweemaal daags plaats en was een arbeidsintensief karwei.[4] Boeren bezaten in het zestiende-eeuwse Holland niet meer dan vier tot zes runderen. Omdat na die periode de prijzen van melk, boter en kaas sneller stegen dan die van akkerbouw gewassen, ging men zich meer op veeteelt toeleggen. Het aantal koeien nam daardoor toe. In de eerste helft van zeventiende eeuw was het aantal runderen in Holland gemiddeld 18 tot 25 per bedrijf. Er ontstond verschil tussen boeren die zich toelegden op de productie van consumptiemelk en vetweiderij, tegenover de bedrijven die vooral aan boter- en kaasbereiding deden.[5]

Na de Tweede Wereldoorlog leidde het beschikbaar komen goedkope kunstmest en geïmporteerd eiwitrijk veevoer tot schaalvergroting van melkveebedrijven. Melkmachines, die voor een grote arbeidsbesparing zorgden kwamen op de markt; tussen 1950 en 1960 nam het aantal machinaal gemolken koeien explosief toe. Men molk met emmerinstallaties, de koeien stonden vast en de melker ging met het melkstel van koe naar koe. De melk werd verzameld in melkbussen. Vanaf de jaren 1970 werden de emmerinstallaties worden vervangen door melkleidingen die de melk direct in een melkkoeltank lieten lopen. Het ligboxenstalsysteem maakte het mogelijk dat de koeien naar de melker toekwamen. Er kwamen verschillende systemen waarin de koeien gemolken kunnen worden, zoals de visgraatmelkstal en de draaimelkstal.

Robotisering[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Melkrobot voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Machinaal melken was sneller en maakte een betere kwaliteitscontrole mogelijk. Toch werden er nog veel uren per dag aan het melken besteed. Daarom bleven technici zoeken naar systemen om het melken nog minder arbeidsintensief te maken. Vanaf de jaren 1980 lukte het om de melkerij volledig te automatiseren. De eerste volledig geautomatiseerde melkrobot stond in Nederland en kwam in 1992 in bedrijf. Na de eeuwwisseling na het aantal volledig geautomatiseerde melkveebedrijven snel toe.[6]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Dairy farming van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.