Koninklijke bekrachtiging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Koninklijke bekrachtiging is een proces in monarchieën waarbij het staatshoofd zijn goedkeuring verleent aan een wet en deze daarmee rechtsgeldig maakt. Hoewel in parlementaire monarchieën de feitelijke wetgevende macht grotendeels in het parlement berust is de handtekening van de koning(in) noodzakelijk om een wet in werking te laten treden.

Europese landen waarin koninklijke bekrachtiging nodig is om een wet rechtsgeldig te maken zijn Andorra, België, Denemarken, Liechtenstein, Nederland, Noorwegen, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Uitzonderingen vormen Zweden, waar sinds een grondwetswijzing in 1974 de koning geen deel meer uitmaakt van de regering (een zogenoemd ceremonieel koningschap) en diens bekrachtiging niet langer nodig is om een wet in werking te laten treden, en Luxemburg, waar een grondwetswijziging in 2008 werd doorgevoerd toen de Groothertog de euthanasiewet weigerde te ondertekenen.

Nederland[bewerken]

De Nederlandse Grondwet regelt de koninklijke bekrachtiging in artikel 87, lid 1, dat luidt: Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

België[bewerken]

In België is de koninklijke bekrachtiging van wetten geregeld in grondwetsartikel 109, dat stelt: De Koning bekrachtigt de wetten en kondigt ze af.

Onthouding van bekrachtiging[bewerken]

Geplaagd door morele bezwaren weigerde koning Boudewijn in 1990 een wet te bekrachtigen die abortus wettelijk mogelijk maakte. Hij liet zich vervolgens vrijwillig regeringsonbekwaam verklaren en werd voor 36 uur uit zijn functie ontheven. Hierdoor kreeg de ministerraad de mogelijkheid de wet[1] te ondertekenen op grond van artikel 79 van de toenmalige Grondwet (artikel 90 in de huidige versie).

1rightarrow blue.svg Zie ook Abortus in België