Max Elskamp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Max Elskamp, portrait.jpg

Max Elskamp (Antwerpen, 5 mei 1862 - aldaar, 10 december 1931) was een Belgisch Franstalig symbolistisch dichter. Hij was lid van de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique. Elskamp was tevens folklorist en grafisch kunstenaar. Persoonlijke bezittingen en werken zijn aanwezig in de bibliotheek van Antwerpen, het Archives et Musée de la littérature (Nederlands: Archief en Museum van de Literatuur) en het Musée de la vie wallonne (Nederlands: Museum van het Waalse Leven).

Levensloop[bewerken]

Max Elskamp werd in Antwerpen geboren op 5 mei 1862. Zijn familie kwam uit Scandinavië en vestigde zich op het einde van de 18de eeuw in Antwerpen. Zijn grootvader opende een kruidenierswinkel, en vertrok naar Californië waar hij rijk werd gedurende de Californische goldrush. Hij kwam naar Antwerpen terug en vestigde zich als reder. De vader van Max Elskamp was een verlichte bankier en had veel invloed op zijn zoon. Zijn Waalse moeder was muzikante. Hij had een jongere zus, Marie, die heel jong stierf. Toen hij veertien was, verliet hij zijn thuis om aan het Atheneum van Antwerpen te studeren waar Frans zijn beste vak was. Na de middelbare school studeerde hij rechten aan de universiteit van Brussel. Hij krabbelde voortdurend gedichten, gedachten en tekeningen op zijn cursusnota's. Gedurende zijn studies ontdekte hij Flaubert die zijn hele leven zijn lievelingsauteur bleef. Toch bewonderde hij ook Musset, Verlaine en Mallarmé. Hij probeerde zelfs Verlaine en Mallarmé in Antwerpen te introduceren maar zij werden daar zeer slecht ontvangen.

Hij werd doctor in de rechten in 1884. Daar hij welgesteld was, pleitte hij weinig gedurende twee jaar. Hij voelde zich nooit gelukkig, vooral na de dood van zijn moeder in 1883. Hij ging zo ver dat hij zijn werken verbrandde met als doel niet beïnvloed te worden door de literaire stromingen van toen. « J’ai fait un holocauste; hier j’ai brûlé tous mes vers; pour être pur et n’avoir plus d’attache avec cette ignoble époque d’université – je les ai avant relus tous; et cela m’a demandé du temps; il y en avait qui dataient de la 3ème !!! C’est très chic à empiler des cahiers dans son feu et de voir brûler tout cela; quand ça a été fini je me suis senti soulagé; il me semble que j’ai rompu avec la tradition; et je suis à présent devant l’immensité du Rien n’osant toucher à rien de peur de retomber sur le chemin de tous. »

Tussen 1881 en 1891 publiceerde hij in diverse tijdschriften zoals La jeune revue littéraire, onder de schuilnaam A.M. Champs d’Aulnes, maar ook in La Jeune Belgique (1882) en in La Wallonie (1891).

In 1886 publiceerde hij L’Eventail Japonais, een bundel van zes gedichten in een oplage van vijftig exemplaren die hij uitdeelde onder zijn familieleden en vrienden.

Na de breuk met zijn verloofde Maria de Mattis (Maya in zijn gedichten) verzonk hij in een spleen.

In 1887 ging Elskamp op reis aan boord van het schip Princesse Stéphanie. Hij bezocht Griekenland, Algerije, Kleine-Azië. Dit is, wat Elskamp laat geloven aan zijn vrienden waaronder Jean de Bosschère. In werkelijkheid had hij enkel langs de kusten de Middellandse zee gevaren aan boord van de Princesse Stéphanie. Hij liet hier en daar sporen van die reis na in zijn werken. Hij bekende deze leugen onder bedekte termen in Aegri Somnia en Les Fleurs Vertes.[1]

In zijn briefwisseling met Henry Van de Velde, zijn beste jeugdvriend, stelt hij zich voortdurend vragen over zijn vermogen tot schrijven. Hij wilde buiten de literaire stroom van de tijd blijven en probeerde voortdurend iets persoonlijks te produceeren. Daarom zweeg hij gedurende vijf jaren. Zijn bescheidenheid en gebrek aan zelfvertrouwen vervolgen hem zijn leven lang.

André Gide schreef hem « J’ai lu votre livre sous l’azur, dans l’azur… tout m’y est exquis, sauf votre dédicace : Pourquoi pensez-vous que peut-être je vais dédaigner un tel don… « À André Gide, s’il daigne ». Je m’en suis presque contrarié. Me croyez-vous donc indigne du céleste, sera-ce ce que vous lutes de moi qui puit vous y faire croire au mépris. Ou voulûtes-vous montrer par là une excessive modestie que ne pouvant accepter ceux qui vous aiment ? Et croyez bien que je suis de ceux-là. »[2]

In 1887 richtte Henry van de Velde L’association pour l’Art op in navolging van L’Art Indépendant. Max Elskamp was secretaris van beide verenigingen.

Elskamp ging niet graag om met zijn collega’s, en de mensen van de bourgeoisie. Hij bestudeerde liever het leven van de volksmensen die hij bewonderde. In de Jaren 1890 bezocht hij Antwerpen om hen te bestuderen en te ontmoeten. Hij werd gefascineerd door het volk, hun levenswijze, de religieuze praktijken, de verschillende ambachten en hun folklore. Hij las allerlei boeken desbetreffend alsook de Bijbel. Hij interesseerde zich ook voor de oostersefilosofie, kunsten en godsdiensten en voor het esoterisme. Hij verzamelde allerlei voorwerpen in verband met sterrenkunde. Een deel van zijn rijke verzameling is aanwezig in het Musée de la Vie Wallone in Luik.

Terzelfde tijd liep hij stage in de drukkerij van een vriend, J.E. Buschman. Hij leerde er drukkerstechnieken en bekwaamde zich in de houtsnede. Hij maakte zelf een drukpers die hij L’Alouette noemde. Tijdens die periode in zijn leven leerde hij ook de ambachten schrijnwerker, horlogemaker, boekbinder beoefenen.

Elskamp, teruggetrokken en eenzelvig, verkoos het zijn werken zelf te drukken en uit te geven en ze niet toe te vertrouwen aan een uitgever. Zijn perfectionisme bracht hem er toe alle stappen van het proces zelf in handen te houden: hij deed dus alles zelf: het schrijven, het kiezen van het papier en lettertype, de vormgeving, de illustraties, het drukken. Dit alles in een geringe oplage die alleen bedoeld was voor een zelf uitgekozen publiek (vrienden, intellectuelen, journalisten)

Maurice des Ombiaux schreef « Vous êtes aimé de quelques hommes qui vous connaissent, mais si votre œuvre était un peu plus répandue vous ne tarderiez pas à apparaître comme celui que l’on attendait pour nous dire l’effroyable misère que nous avons traversée et nous faire communier dans d’admirables vers gonflés de sensibilité et d’émotion et d’une humanité éternelle. »[3]

Zelfs toen Paul Lacomblez zijn gedichtenbundel uitgaf, deelde Elskamp de meeste exemplaren uit onder vrienden en medeschrijvers. Lacomblez was nochtans een beroemde uitgever die voor Maeterlinck, Verhaeren en Giraud werkte. Hij raadde hem te schrijven zonder zich iets aan te trekken van aan de mening van zijn tijdgenoten.[4]

Elskamp was ook uitvinder: in 1901 vond hij een thermometer uit waarvoor hij een octrooi kreeg.

De eenzaamheid en spleen werden nog erger na de dood van zijn vader in 1911.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog werd zijn huis door de Duitsers bezet. Daarom vertrok hij naar Nederland waar hij twee jaar verbleef. Toen hij naar huis terugkwam, werd hij doodziek. Getroffen door de oorlog maakte hij een houtsnede die hij « Honnie soit l’Allemagne » noemde. Emma Lambotte schreeft « […] Vous m’avez dit un jour « Je ne connaissais pas la haine, pour moi les hommes étaient tous frères, les Allemands m’ont appris la haine… » et vous en étiez très triste car il vous est pénible de fermer votre cœur. La guerre aussi vous a désabusé. »[5]

In 1918 publiceerde hij Les commentaires et l’idéographie des jeux de loto dans les Flandres.

De jaren twintig waren heel belangrijk voor hem. Hij publiceerde en werkte veel. In feite was hij zenuwziek, had hartklachten, was verlamd en had last van opgezwollen handen en voeten. Hij wilde geen tijd verliezen en werkte daarom dag in dag uit.

Hij produceerde enorm veel werken:

  • In 1922 schreef hij over zijn familieherinneringen in Chansons désabusées en La Chanson de la rue Saint-Paul.
  • 1923: Les sept Notre-Dame des plus beaux métiers, Les délectations moroses, Chansons d’Amures en Maya.
  • 1924: Remembrances en Aegri Somnia.

Toen kwamen de eerste tekenen van krankzinnigheid. Hij noemde die periode van grote productie « een periode van uitputting, stilte en afzondering ».

Hij stierf op 10 december 1931 na vele jaren van psychiatrische klachten. Hij verliet zijn huis enkel nog onder begeleiding van een rijkswachter daar hij ervan overtuigd was dat hij vermoord zou worden. Ondanks de bewondering van de groten van zijn tijd stierf hij in alle eenzaamheid.

Stijl[bewerken]

Er zijn twee perioden in Elskamps schrijfleven te onderscheiden, 1886 tot 1901 en 1920 tot zijn dood, maar de stijl bleef dezelfde. Hij schreef kwatrijnen in korte verzen. Hij drukte zich uit in een vreemde taal die door veel elementen werd beïnvloed: de tweetaligheid Frans-Nederlands, de volksliederen en ook door Mallarmé en Verlaine.

Charles van Lerberghe feliciteerde hem met zijn originaliteit en eigen stijl.

Erkenning[bewerken]

In 1921 publiceerde Elskamp hij Sous les Tentes de l’Exode waarvoor hij de driejaarlijkse prijs kreeg van de Franse literatuur voor de periode van 1919 tot 1921. Hij werd ook verkozen tot lid van Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique.

Verschillende van zijn werken werden postuum gepubliceerd:

  • Huit chansons reverdies in 1932
  • Les joies blondes en Les fleurs vertes in 1934
  • Les Heures jaunes in 1967

Elskamp werd zeer bewonderd in zijn tijd, zoals men uit volgende getuigenissen kan opmaken:

  • Charles Delchevalerie: « A ce point de vue comme à beaucoup d’autres, votre œuvre pour moi fait date, elle réalise pour moi le plus pur effort vers le Beau qui ait été tenté sur vos Flandres. »[6]
  • Michel Della Torre: « Je termine cette lettre en vous témoignant à nouveau l’admiration que je professe pour votre œuvre, que je place à côté de celle de Baudelaire, de Verlaine, de Verhaeren. »[7]
  • Ernest Deltenre: « Très cher poète, je vous remercie pour l’envoi de votre si délicieux livre… je l’aime tant que j’ai envie de mordre dedans, et de le manger ! […] Je souhaite faire éditer vos chansons, seulement il me faut certaines garanties quant à la propriété qui doit rester vôtre […]. »[8]
  • Eugène Demolder: « […] un livre exquis de vrai et délicat poète. J’adore votre livre ; je l’ai lu plusieurs fois et je vous jure que je le lirai encore. Pourquoi je l’aime ainsi ? Parce qu’il est une nouvelle et forte manifestation de notre art littéraire belge. Parce qu’il est le reflet subtil de pays et de ville que je chéris… parce qu’il est si profondément sincère… vos vers ne sont pas des vers de fabrication comme on en fait tant. Ce sont des vers de cœur et d’âme! »[9]
  • Pierre Devoluy: « Avec Verhaeren et Maeterlinck vous êtes ma chère trinité. »[10]
  • Albert Giraud relate une phrase d’Émile Verhaeren: « Verhaeren trouve les enluminures trrrrrès bien! »[11]
  • Stéphane Mallarmé: « Vos Enluminures, des merveilles chacune, quoique un cantique, gardant son allure d’imagerie sur le fond tout virginité qu’est votre art, on ne sait lequel, illustrateur de visions et musicien à l’écho secret. »[12]
  • Maurice Maeterlinck: « Mon cher confrère, […] vous deviez d’avance si bien savoir que tous allaient l’aimer. Car vraiment, comme c’est un des très rares poème authentique de ces dernières années. »[13]
  • « Ah ! que je les aime, et que je les aime, ces belles œuvres si merveilleusement attendues de l’inoubliable Dominical. Les mêmes et cependant plus belles, et plus nombreuses et plus pures encore en retenues plus pleines de grâce de cet adorable pays aux sensibilités si inconnues et cependant si admirablement quotidiennes quand le grand poète que vous êtes a bien voulu nous y mener. »[13]

Zijn faam nam postuum nog toe. Zijn manier van uitgeven – aan een zelf uitgekozen elite – en het beperkt aantal beschikbare exemplaren verklaren waarom het oeuvre van Elskamp weinig bekendheid genoot bij het grote publiek voor 1954. Zijn werken – meestal in luxe-uitvoeringen – werden – in privécollecties aangetroffen.

In 1967 verschenen Les œuvres complètes de Max Elskamp. Tijdens de jaren 80 verscheen hij in enkele catalogussen en Jacques Antoine publiceerde zes bundels voor Europalia. In 1987 vond men zijn werken in de verzameling Poche bij Labor. In 1997 begon een wereldwijde verspreiding met de verzameling Poésie bij Gallimard.

Een Vlaams Sint Niklaasgedicht[bewerken]

Werken[bewerken]

Max Elskamp in zijn werkkamer
  • Dominical (1892)
  • Salutations, dont d'angéliques (1893)
  • En symbole vers l'apostolat (1895)
  • La louange de la vie (1898)
  • Enluminures (1898)
  • Sous les tentes de l'Exode (1921)
  • Chansons désabusées (1922)
  • La chanson de la rue Saint-Paul (1922)
  • Chansons d’amures (1923)
  • Maya (1923)
  • Les sept Notre-Dame des plus beaux métiers (1923)
  • Remembrances (1924)

Noten[bewerken]

  1. 1. Roger Pire, Essai sur Max Elskamp, 1935, 202 p.
  2. 2. Brief van André Gide aan Max Elskamp de [1895?] (FS12 00154/0150)
  3. 3. Brief van Maurice Des Ombiaux aan Max Elskamp du 23 mars 1921 (FS12 00154/0090)
  4. 4. Brief van Paul Lacomblez aan Max Elskamp du 28 janvier 1896 (FS12 00154/0211)
  5. 5. Brief van Emma Lambotte aan Max Elskamp du 5 janvier 1922 (FS12 00154/0216)
  6. 6. Brief van Charles Delchevalerie aan Max Elskamp du 25 octobre 1893 (FS12 00154/0062)
  7. 7. Brief van Michel Della Torre aan Max Elskamp du 9 janvier 1912 (FS12 00154/0068)
  8. 8. Brief van Ernest Deltenre aan Max Elskamp du 2 avril 1898 (FS12 00154/0072)
  9. 9. Brief van Eugène Demolder aan Max Elskamp du 13 janvier 1887 (FS12 00154/0075)
  10. 10. Brief van Pierre Devoley aan Max Elskamp du 25 mars 1898 (FS12 00154/0097)
  11. 11. Brief van Albert Giraud aan Max Elskamp (s.d.) (FS12 00154/0156)
  12. 12. Brief van Stéphane Mallarmé aan Max Elskamp d'avril 1898 (FS12 00154/0247)
  13. a b 13. Brief van Maurice Maeterlinck aan Max Elskamp du 18 mai 1892 (FS12 00154/0248)

Bibliografie[bewerken]

  • (fr) Roger Pire, Essais sur Max Elskamp (1935)
  • (nl) Henry Van de Velde, De poëtische vorming van Max Elskamp (1943)
  • (fr) Henri Michel, Les cadrans solaires de Max Elskamp (1966)
  • (fr) Christian Berg, Max Elskamp et le bouddhisme (1969)