Naar inhoud springen

Pathologisch gokken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Esculaap
Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Pathologisch gokken
Coderingen
DSM-IV 312.31
ICD-10
ICD-9
F63.0
312.31
OMIM 606349
DOID 12399
MedlinePlus 001520
MeSH D005715
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde
Waarom kan de één wel stoppen met gokken en de ander niet? - Universiteit van Nederland

Pathologisch gokken is een psychische aandoening die in het DSM-IV werd ingedeeld bij de stoornissen in de impulsbeheersing. Sinds de DSM-5 (2013) heet de aandoening gambling disorder en is ze heringedeeld bij de verslavingen.[1][2] Wie aan deze aandoening lijdt, kan geen weerstand bieden aan de drang om te gokken. Vaak krijgt de aandoening een dwangmatig karakter en noemt men deze ook wel een gokverslaving. Pathologische gokkers houden hun gedrag vaak verborgen om problemen met de omgeving te voorkomen. Gokverslavingen komen meer bij mannen dan bij vrouwen voor.

Men onderscheidt veelal drie fasen van pathologisch gokken:

  • De winnende fase: het gokken gebeurt nog met plezier. Winst wordt echter niet als toeval gezien, maar als een prestatie. Verlies is domme pech die verholpen kan worden.
  • De verliezende fase: het gedrag is erop gericht om het verlies terug te winnen. Werk of gezin worden in toenemende mate verwaarloosd en er ontstaan meestal schulden. Plezier staat niet meer op de voorgrond.
  • De wanhoopsfase: de gokker is volledig in beslag genomen, raakt sociaal geïsoleerd en kan crimineel gedrag gaan vertonen.

Hoewel de pathologische gokker geen verslavende substanties gebruikt, is zijn gedrag sterk vergelijkbaar met dat van drugsverslaafden.[3] De verslaving heeft fysieke en psychische aspecten. De gokker moet regelmatig gokken en regelmatig de frequentie of inzet verhogen om het gewenste effect te bereiken. Als hij stopt, vertoont hij ontwenningsverschijnselen. De gokker is zich vaak pas bewust van zijn probleem als de problemen met zijn omgeving te groot worden.

De stelselmatige verhoging van de inzet kan ook het gevolg zijn van een bewuste strategie om alle voorgaande verliezen in één klap te compenseren, een zogenaamde martingaal. Deze strategie wordt vaak gepresenteerd als een methode waarmee men altijd zou winnen. Ze vereist echter met iedere inzetronde ten minste een verdubbeling van de vorige inzet om eerdere verliezen te compenseren: bij een inzet van 1 euro bedraagt de inzet na 10 verliezen al 512 euro. Sommige casino's hanteren bovendien inzetmaxima waardoor een martingaal na verloop van tijd niet meer werkt. Een martingaalstrategie is dus zeer riskant en kan zelfs het opstapje vormen naar gokverslaving.

Wetenschappelijk onderzoek

[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar (pathologisch) gokken en hoe een gokverslaving ontstaat. De eerste die het als een medische aandoening benaderde was Pascasius Justus Turcq in 1561.[4] In 1938 introduceerde de Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner het begrip operante conditionering.

In een ander onderzoek naar impulsiviteit sloot Jennifer Laude (universiteit van Kentucky) menselijke factoren uit door gebruik te maken van duiven. De duiven kregen steeds twee mogelijkheden: 100% kans op 3 stuks aan voedsel, of een lage kans op 10 stuks. De duiven bleken impulsief en kozen meestal voor de grotere hoeveelheid voedsel, ook al was de kans hierop aanzienlijk lager. Het blijven jagen op een zelden voorkomende winst is ook bij pathologische gokkers terug te zien.

Deze onderzoeken naar impulsiviteit bij dieren zijn ook nuttig voor mensen. De kans op een psychische aandoening blijkt niet samen te hangen met de categorie van het gespeelde spel.

Uit andere onderzoeken blijkt dat gokken op het internet geen extra gokproblemen veroorzaakt. Online gokken komt wel vaker voor bij zeer betrokken gokkers. Voor sommige gokkers lijkt dit medium de gokproblemen aanzienlijk te bestendigen.

Wet kansspelen op afstand

[bewerken | brontekst bewerken]

Het Nederlandse beleid met betrekking tot verslavingspreventie onderscheidt drie groepen spelers: recreatieve spelers, risicospelers en probleemspelers.[5] De Wet kansspelen op afstand (Wet Koa), sinds 1 oktober 2021 van kracht, bevat onder meer maatregelen ter voorkoming van kansspelverslaving.

In de wet is opgenomen dat een centraal register voor uitsluiting van deelname aan kansspelen wordt ingericht, dat ziet op deelname aan kansspelen met een hoog speltempo die in speelcasino's, in speelhallen en op afstand worden aangeboden. Bij risicospelers ligt vrijwillige uitsluiting voor de hand.[6] Bij probleemspelers kan ook worden overgegaan tot onvrijwillige uitsluiting. De kansspelautoriteit wordt beheerder van het centraal register.

De vergunninghouder mag geen kansspelen op afstand aanbieden aan een speler die geen spelersprofiel heeft ingevuld met persoonlijke grenzen voor frequentie, duur, stortingen en tegoed. De speler kan dit profiel later aanpassen. Een verlaging van de grenzen gaat direct in, bij een verhoging geldt een bedenktijd.

De vergunninghouder die risicovol of problematisch speelgedrag constateert moet de betrokken speler tegen zichzelf beschermen, door aan te sturen op vrijwillige uitsluiting of vrijwillige inschrijving in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (CRUKS). De meest vergaande vorm van interventie is onvrijwillige landelijke uitsluiting in dit register.