Perzikkrulziekte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Perzikkrulziekte
aangetaste bladeren
aangetaste bladeren
Krulziekte bij 'Peregrine'
Krulziekte bij 'Peregrine'
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Perzikkrulziekte, ook wel koublarenziekte genoemd, is een pathogene schimmelziekte, veroorzaakt door Taphrina deformans, die voorkomt bij perzik-, nectarine-, abrikoos- en amandelbomen. Geënte bomen en klonen zijn extra kwetsbaar voor de ziekte. Geslachtelijke voortplanting vermindert de intensiteit, maar geeft geen immuniteit.

Kenmerken[bewerken]

Als gevolg van de aantasting door Taphrina deformans vertonen de bladeren in het voorjaar zeer ernstige misvormingen, meestal aan de uiteinden van de takken. De misvormingen verkleuren eerst rood en daarna geelbruin. Aangetaste bladeren zijn bros. Bij een zware aantasting kunnen ook de jonge vruchten en zelfs gehele takken aangetast worden en afvallen. De ziekte ontstaat in het vroege voorjaar wanneer de knoppen uitlopen en de boom bloeit. Eind mei zijn de sporen rijp en verspreiden ze zich met behulp van de regen en wind door de boom en nestelen zich weer op de knoppen.[1]

Later in het seizoen (juni) groeit de boom door de aantasting heen en vormt hij nieuw blad, midzomer is er geen spoor meer van de ziekte te bekennen. Daar de bladval echter plaatsvindt in een periode dat het uiterste van de boom wordt gevergd - nieuwe knoppen en scheuten ontwikkelen zich in deze periode - kan de boom ernstig verzwakken, mede doordat het tijdelijk ontbreken van het blad ook de productie van voedingsstoffen (assimilatie) tijdelijk op een laag pitje doet staan. Indien de schimmelziekte gepaard gaat met een overvloedige vruchtzetting kan er tevens ernstige schade ontstaat aan de vruchtkwaliteit, scheutgroei en vorming van nieuwe bloemknoppen. Daarnaast doet de aandoening de vitaliteit van de boom jaar na jaar afnemen, waardoor de boom steeds meer moeite krijgt om door de aantasting heen te groeien. De boom kan uiteindelijk een kwijnend bestaan gaan leiden en afsterven. De krulziekte is de belangrijkste reden dat perzik en aanverwante bomen in particuliere tuinen weinig voorkomen. Het oude blad opruimen verminderd de infectiedruk.

Van enkele perzikenrassen (zoals 'Revita', 'Benedicte' en 'Avalon Pride' is bewezen dat ze minder vatbaar zijn voor de krulziekte.[2] Bij deze rassen is geen sprake van een volledige resistentie, doch van een deelresistentie. Ook de bomen van deze rassen kunnen wel worden aangetast, maar de aantasting is minder hevig en de bomen groeien sneller door een aantasting heen. Van de genoemde rassen is met name het ras 'Avalon Pride' zeer goed resistent. Er zijn in Nederland en België (nog) geen nectarinerassen beschikbaar die een deelresistentie tegen de krulziekte bezitten.

Veel bomen hebben tevens last van de gomziekte door uitputting ten gevolge van krulziekte of te veel vruchten. Pleksgewijs treedt er uit takken en de stam vocht uit dat opdroogt tot bruingekleurd gom.

Behandeling[bewerken]

Op het ogenblik dat de ziekte zichtbaar wordt op de bladeren is de aandoening niet meer te bestrijden. Indien de aantasting gepaard gaat met een overvloedige vruchtzetting is het uitdunnen van de vruchten noodzakelijk, zodat de boom een extra impuls krijgt om de ziekte te overgroeien. Dit kan het beste gebeuren op het ogenblik dat de vruchtjes de grootte van een hazelnoot hebben.

De krulziekte kan chemisch bestreden worden door middel van bespuiten met bepaalde fungiciden (schimmelbestrijdingsmiddelen). De bespuiting moet plaatsvinden op het moment dat de knoppen gaan schuiven (eind februari). Bij een hevige aantasting in het voorafgaande jaar moet de bespuiting vervolgens worden herhaald met een interval van 10-14 dagen, tot de bloeiperiode. Tijdens de bloei kan beter niet worden gespoten. Beginnen met spuiten als de ziekte al wordt waargenomen heeft weinig zin. Van de volgende fungiciden is bekend dat ze werkzaam zijn tegen de krulziekte: chloorthalonil, ferbam, thiram, ziram, metiram, dithianon, difenoconazol, tolylfluanide, dodine en middelen op basis van koper (zoals koperoxychloride en Bordeauxse pap). Het is de werkzame stof die hier wordt genoemd; deze stoffen kunnen onder diverse handelsnamen op de markt zijn. Er dient steeds te worden nagegaan of de genoemde middelen volgens de lokale wetgeving zijn toegelaten voor dit gebruik.

Ook plantversterkende middelen (aftreksel van heermoes) en goede buurplanten (zoals knoflook, Oost-Indische kers en mierikswortel) aan de voet van de boom zouden een goed resultaat geven.[3]

Ten slotte is de standplaats eveneens bepalend voor de vatbaarheid voor de ziekte, een goede keuze hierbij is een zonnige, beschutte plaats nabij een schutting of muur zodat zonnewarmte kan terugkaatsen.