Plaaginsect

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koolvlieg Delia brassicae

Een plaaginsect is een insect dat schadelijk of lastig is voor de mens, althans ongewenst. Het betreft zowel directe schade door ziektes over te brengen als indirecte door bijvoorbeeld voor consumptie bestemde gewassen of dieren op te eten, te besmetten met ziektes, te bevuilen, te beschadigen of aanwezig te zijn op eetbare gewassen en siergewassen. Sommige geleedpotigen die niet strikt tot de insecten behoren worden soms ook wel met plaaginsecten aangeduid, zoals mijten en teken.

Groepen[bewerken]

Plaaginsecten komen uit de meest uiteenlopende groepen, de bekendste zijn de verspreiders van ziekteverwekkers, zoals sommige soorten muggen, vlooien en vliegen als de malariamug, de rattenvlo en de tseetseevlieg. Deze insecten brengen verschillende vectorziekten over, het betreffende insect wordt dan de vector van de ziekte genoemd. Voorbeelden zijn westelijke nijlkoorts, knokkelkoorts, slaapziekte en malaria.

Bekende planteneters zijn de beruchte treksprinkhanen, rupsen (larven van vlinders), bladluizen en kevers. Van die laatste groep betreft het vaak alleen de larven, de kevers zelf richten relatief weinig schade aan omdat ze niet meer snel hoeven te groeien, in tegenstelling tot de larven. Dit geldt voor wel meer groepen als de bladmineerders, de larven van kleine, smalle vlinders. Veel 'mobiele' planteneters zijn naast hun eetgewoonten berucht door het verspreiden van uiteenlopende plantenziekten, van schimmels tot virussen en bacteriën. Dit zijn vooral bladluizen, sprinkhanen en cicaden.

Schade[bewerken]

De omvang en het soort schade hangt af van het insect. Zo eten sprinkhanen alle groene plantendelen, larven van boktorren boren in hout. Ze tasten niet alleen levende, zieke of dode bomen aan, maar eten ook van belangrijke houtconstructies in huizen, meubels of kunstwerken. Bekend voor schade aan kleding is de klerenmot. De bladmineerders danken hun naam aan de gangen (mijnen) die ze in bladeren eten. Wantsen en leden van de bladluizen- en cicadenorde Hemiptera hebben meer puntige monddelen en zuigen sappen uit de plant. Voorbeelden zijn de witte vlieg, wollige dopluis, thripsen, melige koolluis en de schildluizen. Ook zijn er insecten, zoals galwespen die gallen maken, een soort eetkamer voor de larven. Deze ontstaan nadat het insect een ei heeft afgezet op een plant, en zijn vaak bolvormige verdikkingen die door de plant zelf worden aangemaakt. Galvormende insecten zijn vooral te vinden bij de vliegen en muggen (Diptera) en een aantal groepen wespen (Hymenoptera).

Andere insecten hebben het wel voorzien op planten, maar verkiezen dode planten. Dit soort insecten eet plantenvoorraden op als granen en maïs. Voorbeelden zijn kevers als de graanklander, de meeltor en buffaloworm, maar vooral de larven ervan. Andere insecten eten liefst dierlijk materiaal, en doen zich tegoed aan opgezette dierencollecties. Een berucht voorbeeld zijn de (larven van de) museumkever en tapijtkever.

Een land heeft een lijst van plaaginsecten die in dat land (nog) niet voorkomen, de zogenaamde quarantaineorganismen. Bij import van goederen gelden strenge quarantaine maatregelen en worden containers gegast. Ook worden vliegtuigen voordat ze landen in de lucht uitwendig ontsmet.

Rol van natuurlijke vijanden[bewerken]

Vrijwel elke insectensoort heeft natuurlijke vijanden. Dit zijn parasitoïden, predatoren en ziektes.

Daardoor zijn lang niet alle schadelijke insecten ook daadwerkelijk plaaginsecten. Zonder natuurlijke vijanden zou een onnoemelijk aantal economische schade kunnen aanrichten en tot de plaaginsecten gerekend moeten worden.

Bestrijding[bewerken]

Chemische bestrijding[bewerken]

Op het eerste gezicht ligt het voor de hand insectenplagen met behulp van insecticiden te bestrijden. Insecticiden zijn echter vaak schadelijk voor het milieu. Dit kan in de eerste plaats negatieve gevolgen hebben voor degene die de plaaginsecten chemisch probeert te bestrijden, vooral als er efficiënte natuurlijke vijanden zijn die veel te lijden hebben van de chemische bereiding. In de loop van de tijd wordt de plaag steeds talrijker en zal steeds intensiever moeten worden bestreden.

Natuurlijke vijanden van andere schadelijke insecten, zelfs die van andere gewassen, kunnen ook worden gedood zodat niet alleen de aantallen maar ook het aantal soorten plagen toeneemt op verscheidene gewassen. Veel andere schade kan worden toegebracht aan het milieu bijvoorbeeld door vervuiling van grondwater, vergiftiging van andere diersoorten, vooral van nuttige seksende insecten, vogels en vissen. Residu's van bestrijdingsmiddelen kunnen via het gewas door de mens geconsumeerd worden en bovendien kunnen plagen vaak resistentie tegen bestrijdingsmiddelen ontwikkelen.

Steriele-insecten-techniek[bewerken]

Een soms met succes toegepaste methode is de steriele-insecten-techniek. Met deze methode worden op grote schaal steriele mannetjes in het veld losgelaten. Door deze mannetjes bevruchte vrouwtjes brengen geen nakomelingen voort, waardoor de populatie in aantal afneemt.

Geïntegreerde bestrijding[bewerken]

Tegenwoordig worden vaak veel maatregelen genomen waardoor chemische bestrijding zodanig kan worden teruggebracht dat de schade aan het milieu wordt beperkt. Dit geheel van maatregelen noemt men geïntegreerde bestrijding (in het Engels IPM: Integrated Pest Management). Deze bestrijdingsmethoden omvatten naast de chemische bestrijding onder andere: Biologische bestrijdingsmethode, inzetten van resistente gewassen, aanpassing van landbouwmethodes.

Genetische modificatie[bewerken]

Veredelingsbedrijven hebben met behulp van genetische modificatie inmiddels een hele reeks genetisch gemodificeerde rassen gekweekt en op de markt gebracht. Zo zijn maïsrassen resistent gemaakt tegen de maïswortelboorder en katoen tegen de Boll-worm (Anthonomus grandis).

Ook de malariamug is genetisch aangepast, waardoor deze geen malaria meer kan overbrengen.

Of genetische gemodificeerde soorten en rassen op den duur geen schade opleveren voor het milieu, is niet aangetoond.