Rijksluchtvaartdienst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Werk aan de winkel Dit artikel staat op een nalooplijst. Als je de inhoud op verifieerbaarheid gecontroleerd hebt, kun je dit sjabloon verwijderen. Bekijk ook de bewerkingsgeschiedenis om te zien of anderen hier al aan gewerkt hebben.

De Rijksluchtvaartdienst (RLD) was een Nederlands orgaan dat zich bezighoudt met alle ontwikkelingen rond de burgerluchtvaart. De dienst valt onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat en is gevestigd in Hoofddorp. De dienst is inmiddels opgeheven.

Geschiedenis[bewerken]

  • 1920 - 20.1.1930 Bureau Luchtvaart (BL)
  • 20.1.1930 - 1945 Luchtvaartdienst (LVD)
  • 14.6.1945 - 1.6.2000 Rijksluchtvaartdienst(LVD/RLD)

Opgevolgd door:

  • 1.6.2000 - 1.7.2001 Nederlandse Luchtvaartautoriteit(NLA)
  • 1.7.2001 - 1.1.2012 Inspectie Verkeer en Waterstaat(IVW)
  • vanaf 1.1.2012 - heden Inspectie Leefomgeving en Transport (ILENT)[1]

In 1927 trad de Luchtvaartwet in werking. Deze had als een van de eerste taken het uitvoeren van de op de burgerluchtvaart betrekking hebbende wetten.

De toenmalige Minister van Waterstaat in het ’Londense Kabinet’, Zijne Excellentie ir. J. W. Albarda, had toevallig de beschikking over enige luchtvaartdeskundigen, met wier hulp een — het zou genoemd kunnen worden — interim luchtvaartdienst kon worden ingesteld. Tot die kleine kring behoorden de Directeur-Generaal J. W. F. Backer, mr. F. H. Copes van Hasselt (nadien Nederland’s vertegenwoordiger bij de I.C.A.O. te Montreal) en de Chef van de Technische Dienst van de K.L.M. in Engeland, de heer W. D. van Os. Op 23 maart 1943 werd de heer Backer, die kapitein-luitenant ter zee-vlieger was, door Minister Albarda aangesteld tot Hoofd van de Afdeling Luchtvaart en behandelde als zodanig alles wat te maken had met de Nederlandse burgerluchtvaart buiten het bezette Vaderland. Op die wijze werd toen het overheidstoezicht op de luchtvaart uitgeoefend. De heer Van Os trad daarbij als inspecteur op ten behoeve van de luchtwaardigheid van het door K.L.M.-bemanningen gebruikte materieel. Zij het dus ook op gereduceerde schaal. De Londense Regering had haar luchtvaartdienst. Mr. Copes van Hasselt werd naar Amerika gedirigeerd en ingeschakeld bij het voorbereidende werk, dat in november 1944 leidde tot het totstandkomen van de Conventie van Chicago, waarvan elders in dit boek gesproken wordt. Zo droeg de in Londen zetelende Regering toen (dus nog vóór het einde van de vijandelijkheden) kennis van de Conventie, iets wat tot de in Nederland op- en van de buitenwereld afgesloten luchtvaartmensen nog niet doorgedrongen was. Nauwelijks een maand na de algehele bevrijding - de lezer zal dat in het volgende hoofdstuk zien - was dan ook de overheidsbemoeienis met de luchtvaart reeds geheel gefundeerd.[2]

Toen in de eerste dagen van mei 1945 ook het Noorden van Nederland bevrijd was, werd met de meeste voortvarendheid het contact met de bevriende buitenwereld hersteld. De Regeringsbureaus, en de daaraan verbonden functionarissen, die in Londen hun beste krachten gegeven hadden, om het Nederlandse belang te dienen, kwamen successievelijk weer naar het Vaderland terug. Benoorden de rivieren waren er nog geen bruikbare vliegvelden en zo werd er met spoed een noodterreintje aangelegd langs de spoorbaan Den Haag-Utrecht, juist ten Oosten van het spoorwegviaduct van de lijn Den Haag-Leiden. Hier kon alleen met kleine vliegtuigen geland worden. Op die wijze werden tal van hoge ambtenaren, die uit Londen eerst naar het vliegveld Welschap, bij Eindhoven, overgekomen waren, naar den Haag gebracht. Onder hen bevond zich ook de heer J. W. F. Backer, die per Auster op de beschreven ’strip’ landde. De Directeur van de Luchtvaartdienst, de heer H. Ch. E. van Ede van der Pais, als zodanig weer in functie getreden, had zich reeds omringd door tal van vroegere medewerkers, die als het ware uit alle hoeken en gaten waren komen opdagen. De nieuwe, de na-oorlogse werkperiode, werd ingeluid met een glas champagne. De toenmalige Minister van Waterstaat, ir. Th. P. Tromp, benoemde met ingang van 14 juni 1945 de heer H. Ch. E. van Ede van der Pais tot Directeur-Generaal, en de heren J. W. F. Backer en mr. Copes van Hasselt tot Directeuren van de Rijksluchtvaartdienst. Want zó werd op die zelfde datum de officiële naam van de dienst.[3]

Na de oorlog hield de RLD, onder de naam Rijks Luchtvaart School, zich op o.a. vliegveld Eelde in Groningen bezig met de opleiding van verkeersvliegers en verkeersleiders. De opleiding tot verkeersleider is tegenwoordig een vierjarige hbo-opleiding die deels ook op Schiphol plaatsvindt. Op 1 januari 1993 werd de Luchtverkeersbeveiliging LVB van de RLD afgesplitst.

In de eerste jaren besloot de Luchtvaartdienst een aantal vliegroutes in Nederland te markeren, omdat er nog visueel werd gevlogen. Er kwamen geleidings- of routelichten; zo werd er in Roosendaal voor dit doel een 30 meter hoge ijzeren vuurtoren gebouwd.

De dienst was verantwoordelijk voor de ontwikkeling van luchthavens, heliports en helikopterdekken en met de afgifte van vergunningen voor incidentele helilandingen.

Afdelingen[bewerken]

Tot de afdelingen behoren:

  • Bureau Interne Zaken
  • Bureau vliegtuigonderhoud luchtvaartmaatschappijen
  • Bureau Luchtvaartinspectie
  • Bureau algemene luchtvaart en helikopters
  • Bureau Toezicht op luchthavens en helihavens

Onderzoeken[bewerken]

Aangezien de RLD ook voor de veiligheid van de burgerluchtvaart zorgt, onderzoekt de dienst ook wat er mis gaat.

  • Vliegramp van Biak: Inspecteur J.W.P. Backer had de leiding van het vooronderzoek.
  • Bijlmerramp: Vanaf oktober 1992 was de dienst een jaar betrokken naar het zoeken van de oorzaak van de Bijlmerramp, waarbij motor 3 en 4 van de El Al-Boeing afbraken en het vliegtuig in de Bijlmermeer neerstortte. Het vooronderzoek concludeert dat metaalmoeheid van een veiligheidspin de oorzaak van de ramp is. Sindsdien hebben allerlei andere instanties ook de ramp onderzocht.

Amateurluchtvaartuig[bewerken]

Amateurs hebben het recht zelf een eigen luchtvaartuig te bouwen. Zij dienen echter wel een bewijs van luchtwaardigheid te hebben en de RLD verstrekt deze.

Zie ook[bewerken]