Sabbatjaar (Bijbel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een sabbatjaar of sabbatsjaar is volgens de Thora elk zevende jaar, waarin land onbebouwd moest blijven, schulden werden kwijtgescholden en schuldslaven werden bevrijd. Wat er vanzelf aan het land ontspringt in dat jaar is voor de armen, vreemden, en voor de dieren van het veld. Naar analogie met de naam van zevende dag, die een rustdag is (de Sabbat) wordt dit zevende jaar sabbatjaar genoemd.

"Zes jaren zult gij uwen akker bezaaien, en zes jaren uwen wijngaard besnijden en de inkomst daarvan inzamelen. Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den Heere; uwen akker zult gij niet bezaaien en uwen wijngaard niet besnijden." (Leviticus 25:3-4)

De gewoonte om schulden periodiek kwijt te schelden en slaven te bevrijden was een gewoonte in diverse samenlevingen in het oude nabije oosten, met name in Babylonië.[1] Op elk zevende sabbatjaar volgde een jubeljaar, waarin land werd herverdeeld.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. David Graeber, Debt: The First 5,000 Years, Melville House, 2011, 82-83.