Samenstelling Tweede Kamer 1886-1887

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1886-1887 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 15 juni 1886. De zittingsperiode ging in op 14 juli 1886 en eindigde op 16 augustus 1887.

Nederland was verdeeld in 43 kiesdistricten.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde.

Gekozen bij de verkiezingen van 15 en 29 juni 1886[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (47 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (19 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Bahlmannianen (14 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Schaepmannianen (5 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 4 kiesdistricten was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd op 29 juni 1886 gehouden.
  • Æneas Mackay jr. (antirevolutionairen) werd verkozen in twee kiesdistricten, Amersfoort en Utrecht. Hij opteerde voor Utrecht, als gevolg hiervan vond op 20 juli 1886 een nieuwe verkiezing plaats in Amersfoort, waarbij Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius werd verkozen. Hij werd op 27 juli dat jaar geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1886[bewerken | brontekst bewerken]

  • 9 september: Schelte Wybenga (liberalen) overleed. Daarom werden op 5 en 19 oktober dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Sneek. In de tweede stemronde werd Pieter Johannes Gesinus van Diggelen verkozen, die op 8 november 1886 werd geïnstalleerd.
  • 1 november: Philippe Willem van der Sleijden (liberalen) nam ontslag vanwege zijn bevordering tot inspecteur der waterstaat van de 1e klasse. Bij een tussentijdse verkiezing op 23 november dat jaar in Arnhem werd van der Sleijden herkozen, waarna hij op 29 november 1886 werd herkozen.

1887[bewerken | brontekst bewerken]

  • 23 maart: Jan Christiaan Fabius (antirevolutionairen) nam ontslag vanwege zijn promotie tot kapitein. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 april dat jaar werd Fabius herkozen, waarna hij op 19 april 1887 werd geïnstalleerd.
  • 19 mei: Pieter Blussé van Oud-Alblas (liberalen) overleed. Zijn opvolger Herman Jacob Dijckmeester, op 14 juni dat jaar verkozen bij een tussentijdse verkiezing in Dordrecht, werd op 23 juni 1887 geïnstalleerd.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]