Sophia Dorothea van Hannover

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sophia Dorothea van Hannover
1687-1757
Georg Wenzelaus von Knobelsdorff; Queen Sophia -Dorothea von Preussen.jpg
Koningin in Pruisen
Periode 1713-1740
Voorganger Sophie Louise van Mecklenburg-Schwerin
Opvolger Elisabeth Christine van Brunswijk-Bevern
Vader George I van Groot-Brittannië
Moeder Sophia Dorothea van Celle

Sophia Dorothea van Hannover (Hannover, 16 maart 1687 - Berlijn, 28 juni 1757) was koningin-gemalin van Pruisen van 1713 tot 1740. Ze was de enige dochter van koning George I van Groot-Brittannië en Sophia Dorothea van Celle. Ze was getrouwd met koning Frederik Willem van Pruisen en was de moeder van Frederik de Grote.

Biografie[bewerken]

Ze werd op 16 maart 1687 geboren als hertogin Sophia Dorothea van Brunswijk-Lüneburg. Haar vader George Lodewijk was op dat moment troonopvolger van het Keurvorstendom Hannover. Het huwelijk van haar ouders werd in 1694 ontbonden; haar moeder, Sophia Dorothea van Celle, werd daarna op verdenking van overspel tot haar dood gevangengehouden in Slot Ahlden. Sophia Dorothea en haar oudere broer, George Augustus (1683-1760) werden daarom opgevoed door hun grootmoeder Sophia van de Palts. Toen haar grootvader in 1698 overleed werd haar vader keurvorst van Hannover en kreeg zij de titel prinses van Hannover.[1]

Door bemiddeling van Sophia van de Palts werd er een huwelijk gearrangeerd tussen Sophia Dorothea en haar neef Frederik Willem, de kroonprins van Pruisen. Frederik Willem was een zoon van koning Frederik I van Pruisen en Sophie Charlotte van Hannover. Bij hun huwelijk op 28 november 1706 kreeg Sophia Dorothea de titel kroonprinses van Pruisen. Haar schoonvader stierf op 25 februari 1713; haar man werd de nieuwe koning in Pruisen en zij werd de nieuwe koningin-gemalin.[2]

Een Britse wet (de Act of Settlement uit 1701) bepaalde dat als koningin Anna van Groot-Brittannië kinderloos zou sterven alleen Sophia van de Palts, een kleindochter van Jacobus I van Engeland en Schotland, en haar nakomelingen in aanmerking kwamen voor de Britse troon. Bij het overlijden van koningin Anna in 1714 besteeg Sophia Dorothea's vader de Britse troon als George I, en werd zijzelf naast koningin van Pruisen en prinses van Hannover ook prinses van Groot-Brittannië.

Koningin van Pruisen[bewerken]

Sophia Dorothea was een goed opgeleide en belezen vrouw, met belangstelling voor kunst en literatuur en een voorliefde voor de goede dingen van het leven. Dit in tegenstelling tot haar streng-autoritaire man. Frederik Willem I van Pruisen staat bekend als 'de soldatenkoning' en legde aan zijn gezin en hofhouding met strakke hand een sobere levensstijl op. Hij had echter vertrouwen in Sophia Dorothea's oordeel en verordonneerde dat tijdens zijn afwezigheid de koningin hem in de regering verving en dat de ministers haar bij belangrijke zaken om raad moesten vragen.[2]

De koning schonk zijn vrouw het slot Monbijou in Berlijn, dat zij naar haar eigen smaak inrichtte. Hier ontving ze in een weelderige omgeving gasten, waaronder schrijvers, filosofen en kunstenaars. Zij was een bewonderaar van de schilder Antoine Pesne en zij engageerde de componist en fluitist Johann Joachim Quantz als hofmuzikant en muziekleraar. In Monbijou legde ze ook een bibliotheek aan, waar ze erg trots op was.

Sophia Dorothea's oudste kinderen, de latere Frederik de Grote en en zijn zuster Wilhelmine, geschilderd door de door haar bewonderde Antoine Pesne

Haar zoon Frederik, de latere Frederik de Grote, deelde de culturele belangstelling van zijn moeder wat hem voortdurend in conflict bracht met zijn militaristische vader. Sophia Dorothea had een hechte band met haar zoon en was op de hoogte van zijn (uiteindelijk mislukte) plannen om Pruisen en zijn vader te ontvluchten.

Sophia Dorothea had de ambitie om de banden met het Britse vorstenhuis te verstevigen door huwelijken te arrangeren tussen haar oudste zoon Frederik en oudste dochter Wilhelmine, en de dochter en zoon van haar broer die inmiddels koning George II van Groot-Brittannië was geworden. Haar man gaf echter de voorkeur aan huwelijkskandidaten uit Duitse vorstenhuizen.

Toen koning Frederik Willem I op 31 mei 1740 stierf volgde zijn zoon hem op als Frederik II. Hij gaf Sophia de titel koningin-moeder in plaats van het meer gebruikelijke koningin-weduwe. Ook bleef zij de hoogste dame aan het hof, vóór haar schoondochter de nieuwe koningin-gemalin. Sophia Dorothea stierf op 28 juni 1757 in Berlijn. Zij is bijgezet in de Dom van Berlijn.[3]

Nakomelingen[bewerken]

Uit het huwelijk van Sophia Dorothea en Frederik Willem I werden de volgende kinderen geboren[3]:


Voorouders[bewerken]

Kwartierstaat van Sophia Dorothea van Hannover
Overgrootouders George van Brunswijk-Calenberg
(1582–1641)
∞ 1617
Anna Eleonora van Hessen-Darmstadt
(1601–1659)
Frederik V van de Palts
(1596–1632)
∞ 1613
Elizabeth Stuart
(1596–1662)
George van Brunswijk-Calenberg
(1582–1641)
∞ 1617
Anna Eleonora van Hessen-Darmstadt
(1601–1659)
Alexandre d'Esmier d'Olbreuse
(–)

Jacquette Poussard du Bas-Vandré et de Saint-Marc
(–)
Grootouders Ernst August van Brunswijk-Lüneburg (1629-1698)
x 1658
Sophia van de Palts (1630-1714)
George Willem van Brunswijk-Lüneburg (1624-1705)
x
Eleonora van Olbreuze (1639-1722)
Ouders Koning George I van Groot-Brittannië (1660–1727)
∞ 1682
Sophia Dorothea van Celle (1666–1727)
Sophia Dorothea van Hannover (1687-1757)