Stadskeure

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De stadskeure was het handvest waarmee de landsheer in de middeleeuwen stadsrechten toekende aan een agglomeratie. De inhoud van de keuren evolueerde doorheen de tijd.

Status[bewerken | brontekst bewerken]

De keure werd verleend door de landvorst, meestal na onderhandeling met de bewoners van de betrokken agglomeratie. Het nieuwe statuut werd dus gevraagd en de vorst hield rekening met de wensen van de bewoners. In handelsnederzettingen hadden de kooplieden soms al een onderling verbond gesloten (commune). In Italië ontstonden zelfs gezworen gemeenschappen die zich losmaakten van het landsheerlijk gezag en evolueerden tot stadstaten.

De inhoud van de keur of "core" varieerde, maar betrof in de eerste plaats belastingvrijstellingen, het recht om berecht te worden door gelijken, de bevestiging van eigendomsrechten, enz. Het stadsgebied werd deels onttrokken aan het grotere geheel waarbinnen de heerlijke en feodale rechten golden en vormde dus een immuniteit of vrijheid.[1] Behalve geografisch afgebakend waren veel van deze privileges ook persoons­gebonden: ze golden voor wie door geboorte of koop poorter was. Het resultaat was dat de stad een zekere zelfstandigheid verwierf en het landrecht er nog slechts aanvullend van toepassing was, waarbij dus het oppergezag van de vorst van kracht bleef en het nakomen van de verplichtingen tegenover hem een basisvoorwaarde vormde. Bij inbreuken werden keuren soms ingetrokken. De autonomie die voortvloeide uit het hebben van een eigen bestuur, rechtspraak en wetgeving, met de stedelijke schepenbank als motor, bevorderde de economische dynamiek en omvatte ook strafrechtelijke, fiscale en militaire aspecten.

Voor de meeste stadskeuren werd het statuut van een oudere stad tot voorbeeld genomen. Het stadsrecht, vastgelegd in de keur, werd doorgaans in de loop der tijd aangevuld met nieuwe privileges. De keure of de keuren werden bewaard op een beveiligde plek in het belfort of in het stadhuis. Zij waren de waarborg van de stedelijke vrijheid.

In de Lage Landen werden de eerste stadsrechten in de elfde eeuw verleend, met Hoei als vroegst gekende voorbeeld. Belangrijk was de Grote Keure van Filips van de Elzas, die rond 1170 de zeven grote Vlaamse steden (Atrecht, Brugge, Dowaai, Gent, Ieper, Rijsel en Sint-Omaars) een uniform stadsrecht gaf gebaseerd op dat van Atrecht. Die rechten werden nadien ook aan kleinere Vlaamse steden verleend. De hertogen van Brabant namen de rechten van Leuven als voorbeeld. De graven van Holland namen dit Leuvense model over. De hertogen van Gelre namen de stadsrechten van Zutphen als voorbeeld. In Gelderland was Nijmegen een uitzondering. Als rijksstad waren de stadsrechten van Aken het voorbeeld. Stadsrechten werden dus, soms met lichte wijzigingen, overgenomen van de rechten van andere steden, de zogenaamde moederstad. Wanneer in de dochterstad juridische onenigheid ontstond, ging men op "stedenvaart" of "hoofdvaart" naar de moederstad om daar uitleg van het recht te vragen. Dit geldt niet voor veel steden met stadsrecht van de Hollandse tak, dat weliswaar op dat van de Brabantse steden gebaseerd was maar geen directe verwijzing naar dat recht bevatte.[2] Wel trof bijvoorbeeld Delft in 1259 (dus ruim na het opstellen van het stadsrecht) een regeling met Den Bosch voor de hoofdvaart.

Luik[bewerken | brontekst bewerken]

Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

Brabant[bewerken | brontekst bewerken]

Holland[bewerken | brontekst bewerken]

De Hollandse steden behoorden tot de Brabantse familie. De hertogen van Brabant namen de rechten van Leuven als voorbeeld. De graven van Holland namen op hun beurt dit Brabants-Leuvense model over.

Oost-Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

De steden in het Oosten van Nederland behoorden tot de Rijnlandse familie. In Gelderland was Nijmegen een uitzondering. Als rijksstad waren de stadsrechten van Aken het voorbeeld.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Les libertés urbaines et rurales du XIe au XIVe siècle = Vrijheden in de stad en op het platteland van de XIe tot de XIVe eeuw, Brussel, Pro Civitate, 1968, 350 p.
  • Les origines des libertés urbaines. Actes du XVIe Congrès des historiens médiévistes de l'enseignement supérieur, Rouen, 7-8 juin 1985, 1990. ISBN 2877750140

Voetnoten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Cf. Vriheyt in het Middelnederlands Woordenboek (1356-IX), hoewel deze term vooral in Brabant eerder werd gebruikt voor een vrije heerlijkheid, dus een plaats tussen stad en dorp in.
  2. H.P.H. Camps, Het stadsrecht van Den Bosch van het begin (1184) tot het Privilegium Trinitatis (1330), Hilversum: Uitgeverij Verloren (1995), p. 50-51