Aapfactor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vitruviusman van Leonardo da Vinci. Gebaseerd op de verhoudingen van Vitruvius. De tekening toont een man wiens armwijdte gelijk staat aan de hoogte, waarschijnlijk aapfactor 1 aantonend

De aapfactor of aapindex is een maat van de spanwijdte van de armen ten opzichte van de lichaamslengte. Voor verschillende sporten als wedstrijdroeien, discuswerpen, zwemmen en sportklimmen wordt een positieve aapfactor als een goede eigenschap gezien.

De aapfactor kan berekend worden als het verschil (spanwijdte armen minus lichaamslengte) waarbij het gewenste resultaat positief is. Een andere versie gebeurt door deling (spanwijdte armen gedeeld door de lichaamslengte) waarbij een uitkomst groter dan 1 gewenst is, zoals Vitruvius 15 v.Chr. aantoonde. Het viel Vitruvius op dat een "volwassene" een armwijdte heeft die gelijk is aan diens lengte zoals aangetoond in Leonardo da Vinci's tekening de "Vitruviusman". Er wordt aangenomen dat een positieve aapfactor bij bergbeklimmers, waarvan de armwijdte groter is dan de lengte (een waarde groter dan 1), voor een gunstige concurrentie zorgt; sommige klimmers hebben aangetoond dat de verhouding door oefenen verbeterd kan worden.

Berekening[bewerken]

De aapfactor wordt gewoonlijk bepaald door de evenredige verhouding van de armwijdte tot de hoogte. Een alternatieve benadering is dat de hoogte wordt afgetrokken van de armwijdte, waardoor een resultaat ontstaat van positief, 0 of negatief. In tegenstelling tot een verhouding zonder eenheid veroorzaakt deze berekening een numerieke waarde in de maateenheden, om zo de hoogte en de armwijdte weer te geven.

Statistische belangen[bewerken]

Bij het bergbeklimmen hebben verschillende studies geleid tot het effect van fysiologische factoren, zoals antropometrie en flexibiliteit. Bij een aantal hiervan was de aapfactor een van de variabele waardes, maar de resultaten zijn door elkaar gehaald.

Ondanks een algemene tendens uit voorgaande onderzoeken in een keur van atleten in de sport die deze kenmerken delen, bleek uit één onderzoek dat "ontrainbare" lichamelijke factoren, inclusief de aapfactor, niet noodzakelijk het klimvermogen voorspelt; ze tonen het belang aan van de grijpkracht en het percentage van het vetweefsel. Dit werd door een later onderzoek ondersteund dat ook vond dat de aapfactor statistisch niet relevant was. De lage wisselingen in de verhoudingen onder de klimmers bleken allemaal een hogere aapfactor te hebben dan de groep die onderzocht werd, aldus de schrijvers van dit tweede onderzoek. Hiermee lieten zij de mogelijkheid open dat de aapfactor misschien meer van belang is wanneer er een hogere graad is tussen de andere eigenschappen die nog in onderzoek zijn.

Andere werken van deze onderzoeken hebben de aapfactor aangewezen als een (mogelijke) belangrijke factor. De uitslag van een onderzoek uit 2001 onder jonge tieners (m/v) die bergbeklimmen toonde de verschillen aan tussen de geslachten en kon worden verklaard door een aantal factoren; een daarvan was de lage aapfactor bij de meisjes. In een later onderzoek werd op dezelfde manier aangetoond dat de aapfactor statistisch gezien belangrijk was en dat het vastbesloten een van de vele variabelen was dat de hoogste diagnostische waarde in de voorspelling van het klimmen zou bepalen.

Andere sporten[bewerken]

Het is waargenomen dat zwemmers langere armen hebben in verhouding tot hun lichaamslengte, waarschijnlijk leveren langere armen een sterkere voortstuwing op. Daardoor heeft de zwemmer minder moeite om het kortere torso door het water te bewegen. Een opvallend voorbeeld hiervan is zwemmer Michael Phelps. Met een lichaamslengte van 1.95m. en een armwijdte van 2.04m. bezit hij een aapfactor van 1.04

Ook in andere sporten zijn succesvolle atleten met een positieve aapfactor actief:

  • discuswerper Lars Riedel heeft een lichaamslengte van 1.99m. en een armwijdte van 2.10m. wat hem een factor oplevert van 1.05
  • basketballer Misan Nikagbatse heeft een lichaamslengte van 1.92m. en een armwijdte van 2.08m. wat hem een factor oplevert van 1.08

Lagere aapfactoren kunnen ook voordeel opleveren. Bijvoorbeeld in de krachtsport waarbij de korte armen de gewichten niet zo hoog op hoeven te tillen in tegenstelling tot iemand die langere armen heeft en een grotere inhoud, met als resultaat dat iemand met een kleinere inhoud minder hoeft te heffen en de belasting ervan dus makkelijker vindt.