Albert Biesbrouck
Albert Biesbrouck (Roeselare, 27 maart 1917 - aldaar, 9 juni 1981) was een Belgische politicus. Hij was onder meer schepen en burgemeester in de stad Roeselare.
Inhoud |
[bewerken] Jeugd
Biesbroucks vader was Gustaaf (Roeselare, 29 oktober 1873 - Roeselare, 15 februari 1955), zijn moeder Maria Vanneste (Roeselare, 30 januari 1876 - Roeselare, 28 januari 1954). Hij was de jongste van vier: voor hem kwamen Henry, Julia en Julien. Het waren turbulente tijden: door de Eerste Wereldoorlog waren zij op de vlucht kort nadien in Buggenhout gearriveerd. Daar werd hij doodziek en - reeds opgegeven - er doorgeholpen door Maurits Vandermeersch, de man van zijn veel oudere zus Julia, die hem beetje bij beetje vocht toediende.
Met veertien jaar werd hij magazijnier in een atelier voor dameskledij, gelegen in de Sint Alfonsusstraat, vlakbij de kerk van de paters Redemptoristen. Zijn grote liefde voor de sport, zoals voetballen, turnen en zelfs boksen, waarmee hij wegens zijn werk op achttien jaar stopte, verklaart in belangrijke mate zijn latere realisaties op dat gebied in zijn stad.
[bewerken] De oorlogsjaren
Met zestien jaar werd hij lid van de KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd), gesticht door de latere kardinaal Jozef Cardijn, in 1934 afdelingsvoorzitter en reeds in 1935 als vrijgestelde voor het Christelijk Vakverbond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen KAJ-propagandist André Demey in de gevangenis belandde, nam Biesbrouck de taak over en deed per fiets alle afdelingen van het verbond aan. In 1940 had hij ook reeds de taak van Verbondsvoorzitter aangenomen toen de vorige voorzitter naar Duitsland werd gedeporteerd. Hij was Verbondspropagandist van 1942 tot 1944.
Hij trad in dienst van de Christelijke Arbeidersbeweging op 15 februari 1935, eerst bij het Vakverbond en werd voorzitter van het ACW-Roeselare (Algemeen Christelijk Werkersverbond) in de periode 1954-1980.
In 1941 kwam hij in dienst van de Ziekenbond "Broederliefde" van de Christelijke Mutualiteit en werd er in 1945 secretaris en afgevaardigde tot 1977. Die afdeling was toen ondergebracht in de gebouwen aan de Kattenstraat. Deze functie zal wel aan de basis gelegen hebben van zijn grote populariteit. Vele malen immers werd hij ter zijde genomen om de nood en de problemen van de mensen te aanhoren. Later, toen zijn bijkomende functies steeds meer beslag op hem legden, werden mensen die hem 's middags thuis vruchteloos probeerden te zien, uitgenodigd "'s avonds na tien uur eens terug te komen", wat velen deden. ACW-secretaris Eric Delzeyne bestempelt hem in 1977 als "kampioen van het dienstbetoon".
[bewerken] Politieke carrière
Hij was in 1945 betrokken bij de oprichting van de CVP-afdeling Roeselare, waarvan hij lid was van het Dagelijks Bestuur en hij was dit nog in 1961. In 1951 was hij ook bij de oprichting van de Kristelijke Bond van Gepensioneerden (KBG-Roeselare). Later werd hij tevens lid van de ziekenzorgkern. Het was een tijd dat vergaderingen geopend én gesloten werden met het gebed, al was de proost niet aanwezig. Dit werd telkens genotuleerd.
Ook parochiaal was hij gans zijn leven actief: hij werd eerst voorzitter van de Katholieke Werklieden Bond (KWB) van de Heilig Hartparochie en later van de Sint-Jozefsparochie. De pastoor, Maurits Maes, was één van zijn beste vrienden: in de jaren vijftig en zestig en tot aan diens opruststelling, ontving hij hem bijna elke zondagavond thuis om de gebeurtenissen van de vorige week te bespreken.
Op gemeentelijk vlak werd hij - hoewel nog niet verkozen in 1946 - lid van de Commissie voor Openbare Onderstand (C.O.O.) te Roeselare van 1947 tot 1959. Hij was gemeenteraadslid van 1952 tot 1958 en Schepen van de Burgerlijke Stand, Bevolking en de Sport van januari 1959 tot 1977. Daarmee werd Roeselare de eerste stad in België die een Schepen voor de Sport installeerde, een taak die hij nauwgezet vervulde tot aan zijn benoeming als burgemeester: het Stedelijk Sportstadion aan de Spanjestraat-Mandellaan in 1963, een nieuw overdekt zwembad langs de Handelsstraat in 1972, de Expo- en Sporthallen op Schiervelde, de oprichting van de Stedelijke Sportraad gesticht in 1973, talrijke ontvangsten op het stadhuis en de sporttrofee toegekend aan de verdienstelijkste sportbeoefenaar of sportclub waarmee hij startte in 1974. Hij legde de basis van de sportinfrastructuur in de stad. Minister J. Chabert erkende de stad in 1974 als sportgemeente. Zelf presteerde hij het in de jaren vijftig om in het gezelschap van Hector Deylgat in het Zwitserse Müren de Schildhorn te beklimmen, uitgerust met voetbalschoenen en de top te bereiken.
Hij was Provincieraadslid van 1968 tot 1977.
[bewerken] Burgemeester
Op 1 januari 1977 werd hij burgemeester van de stad Roeselare, de tiende sinds 1830. Zijn voorganger, burgemeester en oud-minister Robert De Man, stierf op vrijdag 13 januari 1978.
Na zijn overlijden (9 juni 1981) volgde Schepen Albert Van Eeckhoutte Biesbrouck op als dienstdoend burgemeester tot Daniël Denys van 1 januari 1982 tot 31 mei 2005 het roer zou overnemen.
Tijdens de legislatuur van Biesbrouck bestond het College van Burgemeester en Schepenen van Roeselare uit:
- Albert Biesbrouck - Burgemeester
- Albert Van Eeckhoutte - Eerste Schepen, burgerlijke stand en feestelijkheden
- Marcel Delodder - Tweede Schepen, financies
- Jozef Vanoverberghe - Derde Schepen, openbare werken
- René Loontjens - Vierde Schepen, onderhoud van gebouwen en wegen - sociale zaken
- Jozef Bylo - Vijfde Schepen, land- en tuinbouw
- Daniël Denys - Zesde Schepen, sport, jeugd en gezin
- Gustaaf Planckaert - Zevende Schepen, handel, nijverheid en middenstandszaken
- André Spinnewyn - Achtste Schepen, onderwijs, cultuur en volksopleiding
- Gerard Desmet - Stadssecretaris
De stad telde 51.752 inwoners (1979).
[bewerken] Andere mandaten
Van het begin van de jaren zestig was hij ook lid van het College van Commissarissen van Inelgas, waarvan hij in maart 1977 als burgemeester namens de stad ook Beheerder werd. Op dat ogenblik werd hij ook vertegenwoordiger op de algemene vergadering van de West-Vlaamse Brandweerschool en van de intercommunale IVRO.
Tijdens zijn jaren als schepen was hij, reeds van in de zestiger jaren, beheerder van de bouwmaatschappij "De Mandel" en vertegenwoordigde de stad in de kredietmaatschappij "Voor ons Volk" vanaf op 4 oktober 1965. Hij was lid van verschillende andere beheerraden.
Op 22 maart 1978 werd hij voorzitter van de Raad van Beheer van de Westvlaamse Intercommunale voor Economische Expansie en Reconversie (WIER) en bleef dat tot aan zijn dood. In het in memoriam in het jaarverslag van 1981 werd hij omschreven als
"een hartelijke, eenvoudige, sociaal denkende en -handelende en vooral een realistische voorzitter. Een rechtlijnig man voor wie een gegeven woord en een onderschreven optie te realiseren daden waren."
Hij was bestuurslid van meerdere verenigingen.
[bewerken] Realisaties en evenementen
In 1977 werd het goed "Vandewalle", een domein van 7.000 vierkante meter, aan de hoek van de Meensesteenweg en de Westlaan door de stad aangekocht en voor het publiek opengesteld. In datzelfde jaar wordt het ontwerpdossier voor het Cultureel Centrum door de gemeenteraad goedgekeurd.
Op 10 oktober 1977 in het kader van de stadskernhernieuwing wordt beslist parkeermeters te plaatsen, om de stadskern weer leefbaar te maken en het commercieel rendement voor de handelaars uit te breiden.
Op 18 november om 16h30 kwam minister Luc d'Hoore het Stedelijk Rustoord Ten Hove plechtig inhuldigen. Het is gelegen aan de hoek van de Handelstraat met de Drafstraat en is ontworpen door architect Decan uit Roeselare. Burgemeester Biesbrouck situeerde de gebeurtenis in het algemeen kader van het maatschappelijk welzijn. Hij hield een pleidooi om bejaarden zo lang mogelijk thuis in hun eigen vertrouwde milieu te laten verblijven.
Enkele maanden later volgde de opening van het Dienstencentrum Ten Elsberge aan de Mandellaan.
Op 15 mei 1979 opende Minister van verkeerswezen Jos Chabert officieel het nieuwe spoorwegstation in aanwezigheid van burgemeester Biesbrouck en stationschef Blomme.
Op 26 oktober 1979 werd de vernieuwde Grote Markt ingehuldigd. Door gebruik van een andere klinkersoort werd voor het stadhuis de omranding weergegeven van de toren van de middeleeuwse stadshalle waarvan de fundamenten tijdens de werken herontdekt werden.
Tijdens zijn legislatuur werden de Grote Markt en de aanpalende centrumstraten opnieuw aangelegd en werd de bouw gestart van het Cultuurcentrum De Spil.
In 1981 werd het Museum Blomme toegankelijk gemaakt voor het publiek. De stad verwierf twee belangrijke portretschilderijen: de Aartshertogen Albrecht en Isabella, toegeschreven aan Cornelis De Vos, en een bronzen beeld "Peegie" van Jules Lugae, evenals een dubbel borstbeeld "Vader en Moeder" van dezelfde kunstenaar.
In zijn voorwoord tot het Informatieblad van Roeselare van 1981, gepubliceerd net na zijn overlijden, wees hij er met trots op dat de stad door de Minister van de Vlaamse Gemeenschap voor de tweede maal uitgeroepen werd (in 1980) tot Sportgemeente en hij dankte iedereen die daartoe had bijgedragen.
Tijdens zijn tweede ambtsjaar vereerden koning Boudewijn en koningin Fabiola de stad op 28 september 1977 met een bezoek. Ook Navo-secretaris-generaal Joseph Luns mocht hij als gast ontvangen.
[bewerken] Zijn familie
Op zaterdag 12 mei 1945 trad hij in het huwelijk met Paula Monteyne (Sainte-Alauzie, 5 november 1919). Het huwelijk werd ingezegend door pastoor Maurits Maes (Oostduinkerke, 24 januari 1890 - Roeselare, 31 mei 1973) en één van de getuigen was Jef Houthuys, later secretaris-generaal van de vakbond ACW (Algemeen Christelijk Vakverbond).
Ze kregen zes kinderen:
- Maurits (Roeselare, 15 februari 1946);
- Josef (Roeselare, 12 april 1947);
- Marie-Pol (Roeselare, 2 december 1948);
- Luc (Roeselare, 21 juni 1950);
- Johan (Roeselare, 1 augustus 1952);
- Philiep (Roeselare, 14 juli 1960).
Na zijn huwelijk woonde het gezin Biesbrouck achtereenvolgens in de Mgr. De Haernestraat 10, de Seringenstraat 68 (vanaf 1953) en de Groeningestraat 8 (vanaf 1979).
[bewerken] Zijn overlijden
Op de dinsdag na pinkstermaandag, om kwart na middernacht, overleed hij thuis in de Groeningestraat 8. De begrafenis vond plaats op 13 juni in de Sint Michielskerk, in aanwezigheid van bisschop Emiel-Jozef De Smedt, gouverneur Olivier Vanneste, ere-gouverneur Ridder Pierre van Outryve-d'Ydewalle en een enorme menigte. Op de Stedelijke Begraafplaats in de Groenestraat (nr. 34, park 36) kreeg hij een eenvoudige grafzerk versierd met erica, zijn lievelingsplant.
Veel Roeselarenaars vonden hem een beginselvast man, maar hartelijk en dienstbaar. Kort na zijn dood werd hij in het Duitse Amtsblatt der Verbandsgemeinde Pirmasens-Land herdacht met de woorden "Alle, die ihn kannten, bedauern sehr den Tod des Stadoberhauptes, dessen Freundlichkeit und Entgegenkommen wir nicht vergessen werden."
Carl Dekeukelaere, voorzitter van de CVP-Roeselare zei in zijn lijkrede
"Wij hebben de heer Biesbrouck zien omgaan met ministers, met de koning zelfs, én met de gewone man: er was géén verschil omdat zijn verhoudingen niet bepaald werden door rang of stand, maar door een spontaan besef van de waarde van elk mens..."
[bewerken] Slotbeschouwingen
Zijn tijdgenoten, waarvan velen goede vrienden, waren onder andere Camiel Verbrugge (syndicaat textielarbeiders), Maurice Manhaeve (secretaris van de Koninklijke Vriendkring der Scheidsrechters van Roeselare en Omliggende), Fons Verbeke, Daniël Vanneste en Hectorine Berteloot (de Vossemolen), Camiel Cloet (landbouwer, Dadizele), Hector Deylgat (leraar), Jozef Defraeye (medewerker), Honoraat Callebert (Volksvertegenwoordiger), E.H. Jozef Devogelaere (proost A.C.W.), Daniël Denys (later burgemeester), Robert Gheysen (senator), André Debruyne (voorzitter OCMW), Georges Decoene (secretaris OCMW), Albert Dekeukelaere, Marcel Delodder (burgemeester Rumbeke), Joseph Mahieu, Piet Monballyu (Bestendig Afgevaardigde), en Wilfried Verstraete uit Beveren, die door het overlijden van Biesbrouck schepen werd. De missiebisschop Mgr. Catry was één van zijn goede kennissen.
Zijn feestdag vierde hij elk jaar op 15 november, het feest van de Heilige Albertus Magnus (Albert de Grote, + 1280).
Hij was Ridder in de Orde van Leopold II (15 november 1972) en drager van verschillende eretekens.
Jozef Seaux schilderde zijn portret. Het hangt in de portrettengalerij van de trouwzaal in het Roeselaarse stadhuis.