Allelopatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het afgevallen blad van Casuarina equisetifolia onderdrukt ondanks de aanwezige open boomkronen de kieming van zaden.

Allelopatie is een proces waarbij planten, algen, bacteriën, koralen en schimmels stoffen produceren die de groei en ontwikkeling van andere organismen beïnvloeden. Deze stoffen worden allelochemische stoffen genoemd en zijn secundaire metabolieten. Ze kunnen een positief (positieve allelopatie) dan wel een negatief (negatieve allelopatie) effect hebben op andere in hun buurt voorkomende organismen.

Meestal wordt er echter met allelopatie bedoeld: stoffen geproduceerd door een plant die de groei van een andere plant onderdrukt. Zo brengen planten bij negatieve allelopatie schadelijke (toxische) stoffen in de grond die de naburige planten in hun groei remmen of zelfs doden, zoals juglon.

Geschiedenis[bewerken]

De term allelopatie, van de Griekse woorden allelo en pathy (elkaar schade berokkenen of schade lijden), werd voor het eerst gebruikt in 1937 door de Oostenrijkse professor Hans Molisch in het boek Der Einfluss einer Pflanze auf die andere - Allelopathie.[1] Hij gebruikte de term voor het beschrijven van de biochemische interacties, die de groei van naburige planten door een andere plant belemmerde.[2] In 1971 verbreedde Whittaker en Fenny de term in hun publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift Science en definieerde allelochemische stoffen als alle chemische interacties tussen organismen.[1] In 1984 verbreedde Elroy Leon Rice in zijn monografie de term allelopatie verder en liet er onder vallen alle directe positieve of negatieve effecten van een plant op een andere plant of op micro-orgamismen door het in het milieu brengen van biochemische stoffen.[3] In 1996 definieerde the International Allelopathy Society allelopatie als "Elk proces met betrekking tot secundaire metabolieten door planten, algen, bacteriën en schimmels geproduceerd dat de groei en ontwikkeling van landbouwkundige en biologische systemen beïnvloedt.[4] Onderzoekers gaan nu (2009) echter weer terug naar de oorspronkelijke definitie van allelopatie: stoffen geproduceerd door een plant die de groei van een andere plant onderdrukt.[1] Zoölogen zorgen voor nog meer verwarring doordat ze de term allelopatie gebruiken voor de chemische interactie tussen ongewervelden zoals koralen en sponsdieren.[1]

Voorbeelden van allelopatie[bewerken]

Leptospermone is een allelopatische stof die door de wortels van de rode lampenpoetser (Callistemon citrinus) geproduceerd wordt. Ofschoon het een te zwak effect heeft om te worden gebruikt als een commercieel herbicide blijkt de analoge stof, mesotrione (handelsnaam Callisto), wel voldoende effectief.[5] Het wordt verkocht voor het bestrijden van breedblad onkruiden in maïs, maar ook glad vingergras en harig vingergras in gazons kunnen er goed mee bestreden worden. Sheeja (1993) rapporteerde de allelopatische interactie van de onkruiden Chromolaena odorata (syn. Eupatorium odoratum) en wisselbloem (Lantana camara) op belangrijke hoofdgewassen.

Allelopatie blijkt in bossen een belangrijke rol te spelen, waardoor de samenstelling en het groeipatroon bij de regeneratie beïnvloed wordt. Zo beïnvloedt de zwarte walnoot door de productie van juglon de groei van sommige plantensoorten, terwijl andere plantensoorten geen last hebben van juglon. De afgevallen bladeren van de Eucalyptus en worteluitscheidingen (exudaten) zijn allelopatisch voor bepaalde micro-organismen en plantensoorten. De hemelboom (Ailanthus altissima) produceert in de wortels allelochemische stoffen, die de groei van vele plantensoorten onderdrukt.

Rijst heeft ook een sterke allelopatische invloed op onkruid. De mate hangt af van de rijstsoort en het ras. De ondersoort Japonica is meer allelopatisch dan de ondersoort Indica en Japonica-Indica hybriden. De allelopatische eigenschappen in rijst vererven kwantitatief.[6]

Literatuur[bewerken]

  • anon. (Inderjit). 2002. Multifaceted approach to study allelochemicals in an ecosystem. In: Allelopathy, from Molecules to Ecosystems, M.J. Reigosa and N. Pedrol, Eds. Science Publishers, Enfield, New Hampshire.
  • Blum U., S. R. Shafer, and M. E. Lehman. 1999. Evidence for inhibitory allelopathic interactions involving phenolic acids in field soils: concepts vs. an experimental model. Critical Reviews in Plant Sciences, 18(5):673-693.
  • Einhellig, F.A. 2002. The physiology of allelochemical action: clues and views. In: Allelopathy, from Molecules to Ecosystems, M.J. Reigosa and N. Pedrol, Eds. Science Publishers, Enfield, New Hampshire.
  • Harper, J. L. 1977. Population Biology of Plants. Academic Press, London.
  • Jose S. 2002. Black walnut allelopathy: current state of the science. In: Chemical Ecology of Plants: Allelopathy in aquatic and terrestrial ecosystems, A. U. Mallik and anon. (Inderjit), Eds. Birkhauser Verlag, Basel, Switzerland.
  • Mallik, A. U. and anon. (Inderjit). 2002. Problems and prospects in the study of plant allelochemicals: a brief introduction. In: Chemical Ecology of Plants: Allelopathy in aquatic and terrestrial ecosystems, Mallik, A.U. and anon., Eds. Birkhauser Verlag, Basel, Switzerland.
  • Muller C. H. 1966. The role of chemical inhibition (allelopathy) in vegetational composition. Bull. Torrey Botanical Club, 93:332-351.
  • Reigosa, M. J., N. Pedrol, A. M. Sanchez-Moreiras, and L. Gonzales. 2002. Stress and allelopathy. In: Allelopathy, from Molecules to Ecosystems, M.J. Reigosa and N. Pedrol, Eds. Science Publishers, Enfield, New Hampshire.
  • Rice, E.L. 1974. Allelopathy. Academic Press, New York.
  • Webster 1983. Webster's Ninth New Collegiate Dictionary. Merriam-Webster, Inc., Springfield, Mass.
  • Willis, R. J. 1985. The historical bases of the concept of allelopathy. Journal of the History of Biology, 18: 71-102.
  • Willis, R. J. 1999. Australian studies on allelopathy in Eucalyptus: a review. In: Principles and practices in plant ecology: Allelochemical interactions, anon. (Inderjit), K.M.M. Dakshini, and C.L. Foy, Eds. CRC Press, and Boca Raton, FL.
  • Sheeja B.D. 1993. Allelopathic effects of Eupatorium odoratum L. and Lantana camara,L. on four major crops. M. Phil dissertation submitted to Manonmaniam Sundaranar University, Tirunelveli.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d Willis, Rick J.. The History of Allelopathy 3 (2007) Geraadpleegd op 2009-08-12
  2. , Allelopathy: a physiological process with ecological implications, Springer, 2006, p. 1 ISBN 1402042795.
  3. Rice, Elroy Leon, Allelopathy, Second Edition, Academic Press, 1984, p. 422 p ISBN 978-0125870580.
  4. , Allelopathy: a physiological process with ecological implications, Springer, 2006, p. 2 ISBN 1402042795.
  5. Cornes, D. 2005. Callisto: a very successful maize herbicide inspired by allelochemistry. Proceedings of the Fourth World Congress on Allelopathy [1]
  6. Khanh, T.D, Xuan, T.D.and Chung, I.M.2007. Rice allelopathy and the possibility for weed management. Annals of Applied Biology [doi:10.1111/j.1744-7348.2007.00183.x]