António de Andrade
| António de Andrade | ||||
| António de Andrade | ||||
| Persoonlijke gegevens | ||||
| Geboortedatum | 1580 | |||
| Geboorteplaats | Oleiros | |||
| Sterfdatum | 19 maart, 1634 | |||
| Sterfplaats | Patriarchaat Oost-Indië | |||
| Wetenschappelijk werk | ||||
| Vakgebied | Christelijke missie Tibetologie |
|||
| Onderzoek | Guge | |||
| Overig | ||||
| Religie | Jezuïeten (Rooms-katholiek) |
|||
|
||||
António de Andrade (Oleiros, 1580 - Patriarchaat Oost-Indië, 19 maart 1634), was een Portugees priester en ontdekkingsreiziger. Hij trad toe tot de jezuïeten in 1596.
Inhoud |
[bewerken] India
In 1600 vertrok hij als hoofd van een missie van 18 jezuïeten naar India. In 1624 reisde hij naar Agra en vervolgens naar Delhi. Hier hoorde hij van een groep pelgrims in Tibet die op weg waren naar de Badrinath-tempel, die 40 dagen van India verwijderd was.
[bewerken] Tibet
Andrade en zijn medereiziger Manuel Marques zijn de eerste Europeanen waarvan vaststaat dat ze in Tibet aankwamen. Ze ondernamen deze reis vanwege een mythe, namelijk dat Tibetanen christenen waren. Dit is af te leiden uit het volgende citaat van Andrade (1580-1634), waarin hij motiveerde waarom hij en Marques afreisden naar het koninkrijk Guge in West-Tibet.[1]
"Ik zou graag willen vaststellen of het waar is, wat ik heb gehoord, dat hij - de koning van het westerse koninkrijk Guge - en zijn onderdanen zijn verbonden met Christus en de ware wet van God. Maar zou dat niet waar zijn, moge ik de fouten onjuistheden en fouten in zijn geloof uitwissen ... Hij zou de mogelijkheid moeten aanschouwen dat hem nu wordt geboden door Gods wil. Dit zou een gratie betekenen die zijn voorvaders eeuwenlang niet hebben gehad. Hij zou zichzelf deze gratie waardig willen tonen.[2]"
António de Andrade
Uit een document in archieven van de Sociëteit van Jezus (Jezuïeten) komt naar voren, dat de motivatie van Andrade mede voortkwam uit de bijbelse voorspelling in Jesaja 18:7, waarin staat dat mensen die de apocalyps zouden overleven, op een berg woonden. In het betreffende vers beschreef Jesaja echter de berg Zion in Israël, waardoor het onduidelijk is waarom Andrade het in verband bracht met de Himalaya.[3]
Andrade en Marques trokken de Himalaya over via de bergpas Mana la. Tijdens hun reis naar Tibet werden ze vriendelijk ontvangen door de soeverein van Guge in 1624. Andrade beheerste het Tibetaans matig, wat hem speet zoals blijkt uit de verschillende malen dat hij herhaalde dat hij enkele waardevolle dingen had geleerd van de manier van leven van de Tibetanen. Andrade ondernam zijn zware reis van India naar Guge twee maal, de eerste keer in de zomer van 1624 en de tweede maal in de zomer van het jaar erna.[1]
[bewerken] Religieus onderzoek
Al bij zijn eerste reis kwam Andrade erachter dat Tibetanen geen christenen waren. Wel was hij van mening dat het boeddhisme van alle religies die hij kende, het dichtst bij het christendom lag, gevolgd door de islam en aan het uiterste eind van de hiërarchie het hindoeïsme.[1]
[bewerken] Tibetanen
In de reporten van Andrade die hij in verschillende Europese talen vertaalde, beschreef hij de Tibetanen als volgt:
"De mensen of het land zijn in het algemeen aardig, moedig en vroom. Ze houden van het gevecht dat ze de hele tijd beoefenen. Verder zijn deze mensen mededogend en zijn ze bereid tot religieuze eredienst ... Onder de spraakzame bevolking hoor je zelden een brutaal of kwaad woord. Ze lijken een redelijk vredelievend volk.[1]"
António de Andrade in zijn reisverslag
In zijn verslag zit de tegenstelling dat het een vredelievend volk is dat houdt van het gevecht. In een ander verslag noemt hij het een moedig volk dat ervaren is in oorlogsvoering. In werkelijkheid lag de koning van Guge in die tijd continu in oorlog met legers uit het zuiden (Garhwal, huidig Uttarakhand) en het westen (Ladakh). Een deel van zijn onsamenhangende beeld wordt verklaard uit de zelfcensuur in zijn verslagen, bevooroordeeldheid, matige begrip van het Tibetaans en zijn poging de vreemde Tibetanen te begrijpen. De mythe van de vredelievendheid van de Tibetanen is sindsdien echter blijven bestaan tot in de 21e eeuw.[1]
[bewerken] Gevolgen voor Guge
Op zijn terugreis werd Andrade toegestaan een kerk te bouwen. Op zijn terugweg naar Agra zette hij een missiepost op in Tsaparang. De heerser van Ladakh, die het oneens was met de tolerantie van de koning ten opzichte van de christenen, vermoordde daarop de koninklijke familie van Guge.
In 1635 ondernam Nuño Coresma met Marques opnieuw de reis naar Tsaparang, waarbij zij een grotere vijandigheid ontmoetten. Ze werden in hun huis gevangen gehouden en erna het land uitgezet.[4]
[bewerken] Vergiftiging
Andrade werd teruggeroepen naar Goa, waar hij in 1634 vergiftigd werd en overleed. Hij liet brieven en tekeningen na en een nauwkeurige beschrijving van zijn ontdekkingen en werken.
[bewerken] Zie ook
Bronnen, noten en/of referenties
|