Apotheek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De balie van een apotheek
Vijzel met medicijnkast op de achtergrond

Apotheek is de naam van de plek waar men medicijnen verkoopt en (tegenwoordig steeds minder) vervaardigt. Het woord apotheek komt uit het Grieks en betekent 'bergplaats'. Het werd vroeger gebruikt voor de ruimte (apotheca) in een klooster waar de geneeskrachtige kruiden werden bewaard. Tot ca. 1950 was een huisarts vaak ook apotheekhouder. In een apotheek heeft de apotheker de eindverantwoordelijkheid. De patiënt wordt er meestal geholpen door een apothekersassistent.

Algemeen[bewerken]

Een apotheek heeft tot taak medicijnen die door artsen worden voorgeschreven aan de patiënten te verstrekken. Ook medicijnen die zonder voorschrift te verkrijgen zijn, worden door de apotheek afgeleverd. Deze geneesmiddelen heten zelfzorggeneesmiddelen (ook wel: OTC-geneesmiddelen; Over The Counter). Omwille van de volksgezondheid mogen deze middelen slechts worden verstrekt door personeel dat hiervoor een opleiding heeft gevolgd. Een apotheker kent de toepassing, de wijze van gebruik van de middelen die hij of zij verstrekt en de mogelijke risico's van het gebruik van het middel in combinatie met andere middelen (die soms door andere artsen aan dezelfde patiënt zijn voorgeschreven), bekend als wisselwerking. Apothekers zijn ook kundig op het gebied van bijwerkingen en het gebruik tijdens zwangerschap of borstvoeding.

Meestal verkoopt men in een apotheek ook dermatologische cosmetica, homeopathische middelen, fytotherapeutica, medische hulpmiddelen voor thuiszorg et cetera.

Soorten apotheken[bewerken]

Er bestaan verschillende soorten apotheken. Een onderscheid dat vaak gemaakt wordt betreft apotheken die medicatie en medische hulpmiddelen leveren aan patiënten in het ziekenhuis (intramurale zorg) en de apotheken die leveren aan patiënten buiten het ziekenhuis (extramurale zorg).

Ziekenhuisapotheek[bewerken]

De ziekenhuisapotheek, ook wel 'Intramurale farmaceutische zorg' genoemd, zorgt voor bereiding en aflevering aan patiënten in een ziekenhuis. De geleverde artikelen kunnen verschillen van die in de extramurale zorg. In Nederland worden de kosten betaald uit het ziekenhuisbudget. In Vlaanderen is de houder van een ziekenhuisapotheek een werknemer van het ziekenhuis. Hij heeft na de gewone universitaire Master farmacie nog een bijkomend specialisatiejaar achter de rug.

Apotheken[bewerken]

Nederland[bewerken]

  • De openbare of officiene apotheek - de normale stads- of dorpsapotheek.
  • De dienstapotheek - een openbare apotheek die alleen tijdens de avond, nacht en in het weekend open is.
  • De transmurale of poliklinische apotheek - een apotheek die bij een ziekenhuis hoort, maar de geneesmiddelen aan niet-gehospitaliseerde patiënten aflevert (meestal aan patiënten die in het ziekenhuis zijn geweest en worden ontslagen uit het ziekenhuis, of aan mensen die regelmatig in het ziekenhuis komen voor een behandeling, zoals bijvoorbeeld dialysepatiënten).
  • De internet-apotheek: een apotheek waar gebruikers online medicatie kunnen bestellen. Dit kan een reguliere openbare apotheek zijn met een website met bestelmogelijkheid of een apotheek die alleen online opereert en geen reguliere apotheek vestiging heeft waar mensen medicatie kunnen afhalen. De apotheken waar men alleen via internet terecht kan, bieden meestal geen oplossing voor de levering van medicatie in spoedsituaties (bijvoorbeeld in de avond, nacht en in het weekend). Niet alle soorten medicatie mogen door een internet-apotheek verkocht worden, bijvoorbeeld medicijnen die alleen met recept kunnen worden verkregen.

De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) is de beroeps- en brancheorganisatie van Nederlandse apothekers.

België[bewerken]

In België spreekt men over de officina, of erkende openbare apotheek. Het aantal officina's in België is beperkt door de vestigingswetgeving. De hoofdapotheker van zo'n officina heet een titularis of provisor. Soms is hij eigenaar van de apotheek, anders is hij werknemer van een grotere organisatie, zoals mutualiteit of keten. Apothekers die in dienst werken bij een titularis, heten adjunct-apotheker. Er kunnen ook apothekersassistenten werken in een officina. Die hebben geen diploma van apotheker en mogen ook niet alle taken uitvoeren die een apotheker wel mag. Alle taken die zij uitvoeren moeten onder toezicht van een gediplomeerde apotheker gebeuren. Er mogen maximaal vier assistenten aanwezig zijn per apotheker. Stagiairs werken ook onder toezicht van een apotheker en zijn nog in opleiding. Vanaf 1 januari 2011 is men ook verplicht een insigne te dragen met naam en één van de vier mogelijke statussen: apotheker-titularis, adjunct-apotheker, apotheker-stagiair, technisch-farmaceutisch assistent. Per regio spreken de officina's een beurtrol af om 's nachts en tijdens het weekend (dringende) geneesmiddelen af te leveren.

Buiten de officina is de verkoop van geneesmiddelen verboden. Hoogstens kunnen grootwarenhuizen wat "para-farmacie" aanbieden, zoals pleisters, huidzalfjes, ontsmettingsmiddel e.d. In geen geval mag een geneesmiddel waarvoor het RIZIV een terugbetaling voorziet aan de patiënt, verkocht worden buiten een officina.

De Algemene Pharmaceutische Bond is de beroepsvereniging van de Belgische apothekers.

Symbolen[bewerken]

De twee symbolen die het meest worden geassocieerd met een apotheek zijn de mortier en stamper en het ℞ (recept) karakter, dat meestal als "Rx" wordt geschreven in getypte tekst. Een typisch Nederlands symbool, dat steeds zeldzamer wordt en ook wordt gebruikt door drogisten in Nederland is de Gaper. Farmaceutische organisaties gebruiken vaak ook andere symbolen, zoals bijvoorbeeld het groene Griekse kruis of de Schaal van Hygieia, in hun logo's. In andere landen worden ook andere symbolen gebruikt, zoals een rode gotische letter A in Duitsland en Oostenrijk.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Medicatierestricties online apotheken, Pharma2Go,