Onderwijs in Nederlands-Indië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit is een overzicht van het onderwijs in Nederlands-Indië.

E.L.S.[bewerken]

De Europeesche Lagere School (E.L.S.) was een basisschool, uitsluitend bestemd voor de Nederlandse gemeenschap in Nederlands-Indië.

In 1903 werden deze scholen ook opengesteld voor 'de beter gesitueerde' inlandse en Chinese jongeren. Na enkele jaren stelde de koloniale regering echter dat deze verruiming van de toelating een negatief effect had op het onderwijspeil en ten koste ging van de Nederlandse kinderen, en vanaf 1907 werden daarom aparte scholen opgericht voor inlandse en Chinese kinderen geopend.

H.I.S. en H.C.S.[bewerken]

Als aparte scholen voor inlandse en Chinese kinderen waren er vanaf 1907 de Inlandse School der Eerste Klasse, die in 1914 werd omgedoopt tot Hollands-Inlandse School (H.I.S.) en vanaf 1908 de Hollands-Chinese School (H.C.S.). Het onderwijs liep grotendeels parallel aan de E.L.S. en gaf na zeven jaar toegang tot westers voortgezet onderwijs. De behoefte aan scholing onder de inheemse bevolking was heel groot en H.I.S. en H.C.S. werden dan ook, na een moeizame start, tot een groot succes. Maar de koloniale regering had iets anders voor ogen: selectief onderwijs voor de bovenlaag van de inheemse en Chinese samenleving. De plantage-economie van Nederlands-Indië kon namelijk slechts een beperkt aantal opgeleiden opnemen en ook het overheidsapparaat was klein. Goed opgeleide inheemsen stuitten erop dat hogere posities gereserveerd bleken voor (Indo-)Europeanen en dat gelijk werk verschillend beloond werd. Dit gaf spanningen.

Kartini-scholen[bewerken]

Voor meisjes werden vanaf 1913 en op initiatief van mr.C.Th.van Deventer (1857-1915) en zijn vrouw zeven Kartini-scholen geopend. Dit waren Nederlandse scholen voor meisjes uit de inheemse aristocratie, genoemd naar Raden Adjeng Kartini. Deze scholen werden ondersteund door het in Den Haag gevestigde Kartinifonds. Het waren lagere scholen met een inheemse taal als voertaal en Nederlands als leervak in de lagere klassen, en Nederlands als voertaal in de hogere klassen. Er werden ook huishoudelijke vakken onderwezen. De Van Deventerstichting onder hetzelfde beheer onderhield kweekscholen voor onderwijzeressen, die aansloten bij de Kartini-scholen.

De Kartini-scholen waren geïnspireerd op de eerder door Kartini zelf geopende lagere school waar voor het eerst inheemse meisjes werden toegelaten. Zij leerden er schrijven en handwerken. Voordien was onderwijs alleen bestemd voor Nederlandse mannen en voor Indonesische mannen uit de elite. Kartini's school was een doorbraak in het Indonesische onderwijs. Het was de eerste school open voor Indonesiërs ongeacht hun status. De school stelde morele ontwikkeling boven cognitieve ontwikkeling.

Desa-scholen[bewerken]

Daarnaast werden vanaf 1907 zogenaamde desa-scholen geopend. Eenvoudige scholen, met een door de desa betaalde volksonderwijzer. Er werd een 3-jarige cursus gegeven voor zeer elementair onderwijs. Volgens de Volkstelling van 1930 kon 6 procent van de inlandse bevolking lezen en schrijven. Verreweg de meeste plattelanders, ook diegenen die een desa-school hadden bezocht, waren analfabeet door gebrek aan oefening. In 1940 kreeg 40% van de inheemse kinderen hier les.

'Wilde scholen'[bewerken]

"Honderdtachtig Hollands-Inlandse scholen voor een bevolking van 60 miljoen, Zegt U eens, eerlijk, is dat niet een beetje weinig. Vindt u dat zelf niet een beetje treurig?", aldus een onderwijzer in de in 1940 in het Nederlands uitgekomen roman 'Buiten het gareel' van de Indonesische schrijfster Soewarsih Djojopoespito (1912-1977). Ook wilden Europese ouders soms niet dat hun kinderen in een klas zaten met inheemse leerlingen.

De groeiende behoefte van de bevolking aan meer en betere scholing leidde tot de oprichting van ongesubsidieerde particuliere scholen. Ook werden scholen opgericht die gerelateerd waren aan bepaalde religieuze, politieke of culturele stromingen, zoals de communistische scholen, de Chinees-nationalistische scholen, de Taman Siswa-scholen en de Pergoeroean Rajat-scholen. De koloniale regering duidde al deze scholen aan als 'wilde scholen', nam er aanstoot aan en kwam in 1923 met de 'Wilde scholen ordonnantie' en in 1932 met de Toezichtordonnantie particulier onderwijs'. Dit leidde tot massaal protest bij de inlandse bevolking. De Taman Siswa-beweging had hierin een initiërende rol en kreeg zoveel bijval van andere nationale groeperingen en partijen dat de ordonnantie op 11 januari 1933 weer buiten werking werd gesteld.

Na 1930 stonden 130.000 leerlingen ingeschreven op de 'wilde scholen'. Het leerlingenaantal was dubbel zo groot als dat van de overheidsscholen maar nog steeds klein in verhouding tot het totale bevolkingsaantal.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]