Buikvlies

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Buikvlies
Peritoneum
Buikvlies in het blauw
Buikvlies in het blauw
Horizontaal aanzicht aan de onderkant van de buik
Horizontaal aanzicht aan de onderkant van de buik
Synoniemen
Latijn Peritonaeum[1][2][3][4][5]

Peritonaeon[6][3]
Peritonaeos tunica[6]
Peritonaeos membrana[7]
Peritoneos[3]
Peritoneion[3]
Peritonium[2][4][8]
Peritonion[3]
Tunica praetensa[3]
Membrana praetensa[8]
Operimentum praetensum[3][8]
Membrana abdominis[3]
Cinctum[7][8]
Cinctus[8]
Velamentum abdominale[3][8]
Membrana succingens[8]
Chamel[8][9]
Ziphac[3][8][9]
Zimphac[9]
Zepach[3]
Siphac[9]
Siphach[9]
Siphar[3]
Syphar[3]
Berbetinum[9]
Berietinum[9]
Beritheron[9]
Beriteron[9]
Beriteru[9]
Bititiron[9]
Mirac[9]
Mirach[9]
Peritheron[9]

Oudgrieks Περιτόναιον σκέπασμα[7]

Περιτόναιον[8][9][10]
Περιτόναιος χιτών[7][10]
Περιτόναιος ὑμήν[7][10]
Περιτόναιος[8][10]
Περιτόνιον[8][10]

Nederlands Penszak[7]
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Het buikvlies[11] of peritoneum[1][5] is een epitheelweefsel dat de binnenkant van de buikholte en de buitenkant van de daarin gelegen organen bekleedt.

Het buikvlies omhult de (intra)peritoneale ruimte, waarin zich een aantal spijsverteringsorganen bevindt. Dit zijn: de maag, de dunne darm, het horizontale gedeelte (colon transversum) en het S-vormige gedeelte (colon sigmoides) van de dikke darm, de lever, de staart van de alvleesklier en de milt.

Daarnaast bedekt het buikvlies ook nog een gedeelte van organen in de retroperitoneale en de subperitoneale ruimte.

Aangrenzende ruimten[bewerken]

Achter de intraperitoneale ruimte vinden we de retroperitoneale ruimte. Het retroperitoneum bevat de nieren, de bijnieren, de twaalfvingerige darm (duodenum), behalve het eerste stukje, de twee verticale gedeelten van de dikke darm (colon ascendens en colon descendens), en de alvleesklier (behalve de staart).

Onder de intraperitoneale ruimte ligt de subperitoneale ruimte, met daarin de blaas, bij mannen ook de prostaat en bij vrouwen ook de baarmoeder, de eierstokken met eileiders en de vagina. Het laatste stukje van de dikke darm, de endeldarm (rectum) ligt aan de bovenkant retro- en aan de onderkant subperitoneaal.

De organen in de intraperitoneale en de subperitoneale ruimte steken deels in de buikholte en zijn daardoor aan hun oppervlakte gedeeltelijk met buikvlies bekleed.

Opbouw van het buikvlies[bewerken]

Het buikvlies aan de binnenzijde van de buik is het peritonaeum parietale (parietale = met betrekking tot de wand), het buikvlies dat de buitenkant van de inwendige organen bekleedt is het peritonaeum viscerale (viscerale = met betrekking tot de ingewanden). Daartussen bevindt zich een kleine hoeveelheid vrij vocht (in totaal circa 50 ml). Dit vocht wordt geproduceerd door het buikvlies zelf en dient als "smeermiddel" tussen de inwendige organen van de buikholte, zodat deze gemakkelijk langs elkaar heen kunnen glijden, bijvoorbeeld bij de spijsvertering.

Het buikvlies heeft geen open verbinding met de buitenwereld, behalve bij vrouwen via de eileiders, baarmoederholte, cervixkanaal en de schede. Deze weg is normaal echter goed afgesloten tegen binnendringende micro-organismen door beschermende slijmproppen. De buikholte is normaal dan ook steriel.

Als er een infectie plaatsvindt of door beschadiging van een orgaan een prikkelende stof binnen het peritoneum vrijkomt, zoals maagsap, pus, darminhoud, gal of bloed, ontstaat er een ontstekingsreactie die buikvliesontsteking (peritonitis) wordt genoemd.

Het buikvlies heeft een aanzienlijk oppervlak, bij een volwassene ongeveer 2 vierkante meter.

Zie ook[bewerken]

Literatuurverwijzingen
  1. a b Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Aufgabe). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  2. a b Siebenhaar, F.J. (1850). Terminologisches Wörterbuch der medicinischen Wissenschaften. (Zweite Auflage). Leipzig: Arnoldische Buchhandlung.
  3. a b c d e f g h i j k l m Dunglison, R. (1856). Medical lexicon. A dictionary of medical science. (13th edition).Philadelphia: Blanchard and Lea.
  4. a b Probstmayr, W. (1863). Etymologisches Wörterbuch der Veterinär-Medicin und ihrer Hilfswissenschaften. München: Verlag Jul. Grubert.
  5. a b Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  6. a b Castelli, B. & Ravenstein, A. (1665). Lexicon medicum Graeco-Latinum. Rotterdam: Arnold Leers.
  7. a b c d e f Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  8. a b c d e f g h i j k l Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  9. a b c d e f g h i j k l m n o Fonahn, A. (1922). Arabic and Latin anatomical terminology. Chiefly from the Middle Ages. Kristiania: Jacob Dybwad.
  10. a b c d e Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  11. Palfijn, J. (1703) Anatomie, of ontleedkundige beschryving. Gent: Erfgenamen van Maximiliaen Graet..