Chiwwieten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Chiwwieten (Hebreeuws: החוים; Khivvīm: 'dorpelingen') of Hevieten zijn afstammelingen van Hivi (Hebreeuws: החוי; Khivvī: 'dorpeling'), de zesde zoon van Kanaän, kleinzoon van Cham.[1]

Volgens het boek Genesis beloofde God Abraham, dat hij Abraham's nakomelingen in het land van de Chiwwieten en zes andere Kanaänitische volken zou geven,[2] namelijk de Kanaänieten (deze naam wordt wisselend gebruikt om enerzijds een specifiek volk aan te duiden of anderzijds als verzamelnaam voor alle zeven volkeren bij elkaar), de Amorieten, de Jebusieten, de Hethieten, de Ferezieten en de Girgasieten. In de dagen van Jakob leefden de Chiwwieten in de stad Sichem. Later, toen het volk Israël vanuit Egypte het beloofde land Kanaän binnentrok, gebood God herhaaldelijk volgens het boek Exodus dat de Israëlieten de Chiwwieten samen met de zes andere volkeren moesten verdrijven,[3] wegens hun lage moraal en hun verdorven religies.

Onder Jozua leden de Chiwwieten de nederlaag.[4] Eén groep Chiwwieten werd gespaard: de Gibeonieten, bewoners van de steden Gibeon, Kefira, Beëroth en Kirjath-Jearim. Door een list lukte het hen een verbond te sluiten met Israël. Ze werden niet gedood, maar tot slaven gemaakt,[5] wat als vervulling gezien kan worden van de vloek die Noach over zijn kleinzoon Kanaän uitsprak:

"Hij zei: Vervloekt is Kanaän!
Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!
Ook zei hij: Gezegend is de HEERE, de God van Sem!
Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!
Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!
En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!"[6]

Het verbond had echter ook voordelen: Israël streed ter bescherming van Gibeon tegen omliggende vijandige Kanaänitische volkeren.

De Chiwwieten worden als laatste in de Bijbel genoemd in de tijd van Salomo, deze werden gebruikt als dwangarbeiders bij de bouw van de tempel.[7] De Gibeonieten duiken later in de bijbelse geschiedenis op als behorende tot de Nethinim, een verzamelnaam voor alle niet-Israëlitische slaven die de Israëlieten assisteerden bij de herbouw van Jeruzalem.[8]

Zie ook[bewerken]

Bronnen
  1. Genesis 10:17, 1 Kronieken 1:15
  2. Genesis 15:13-21
  3. Exodus 3:8, 17; 13:5; 23:23, 28; 33:2; 34:11
  4. Jozua 9:1, 2; 12:7, 8; 24:11
  5. Jozua 9:1-15, 24-27
  6. Genesis 9:25-27, Herziene Statenvertaling
  7. 1 Koningen 9:20, 2 Kronieken 8:7
  8. Ezra 2:43