Conjunctie (astronomie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Positional astronomy.png

Conjunctie (letterlijk samenvoeging) treedt op als een planeet of de maan gezien vanuit de aarde voor- of achterlangs de zon trekt. Als de planeet tussen de aarde en de zon doorschuift heeft men het over benedenconjunctie, als de planeet achter de zon staat spreekt men over bovenconjunctie.

Alleen de planeten Mercurius en Venus kunnen in benedenconjunctie staan, de banen van de overige planeten liggen buiten die van de aarde en ze kunnen dus nooit tussen de aarde en de zon in komen. Omdat de banen niet precies in hetzelfde (ecliptica)vlak liggen trekken de planeten niet bij iedere benedenconjunctie precies voor de zon langs, Venusovergangen en Mercuriusovergangen zijn dan ook vrij zeldzaam. Alle planeten kunnen wel in bovenconjunctie komen.

De maan kan alleen maar in benedenconjunctie staan, het is dan nieuwe maan. Omdat de maan om de aarde draait en niet om de zon kan de maan nooit "achter" de zon en dus in bovenconjuntie komen.

Over het algemeen geldt dat het waarnemen van de maan of planeten als ze in conjunctie staan niet mogelijk is, het licht van de zon overstraalt alles. Alleen bij overgangen of tijdens een zonsverduistering zijn planeten in conjunctie te zien.

Als twee planeten vlak bij elkaar aan de hemel (lijken te) staan, zijn ze met elkaar in conjunctie. Een planeet kan ook in conjunctie zijn met de maan. Soms leidt zo'n conjunctie tot een 'planeetbedekking' door de maan. Een planeetbedekking door een andere planeet komt uiterst zelden voor.

Het omgekeerde van conjunctie is oppositie, de planeet staat dan recht tegenover de zon. De maan in oppositie is vol.