Dactylische hexameter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De dactylische hexameter is de meest gebruikte versvoet voor epische gedichten in de Klassieke Oudheid, waarin zowel de Ilias als de Odyssee van Homerus geschreven zijn, alsook de Aeneis van Vergilius. Ook de Metamorphosen van Ovidius, een werk dat in vele opzichten afwijkt van het traditionele epos, is in de dactylische hexameter geschreven.

Opbouw[bewerken]

Een hexameter is een versregel die bestaat uit zes voeten, gebaseerd op de lengte van de lettergrepen. Het symbool voor een lange lettergreep is een streepje (—), voor een korte lettergreep een boogje (∪). Als scheidingsteken tussen de verschillende versvoeten gebruikt men meestal een schuin streepje (/). In een dactylische hexameter komen de volgende versvoeten voor.

  • Een spondee (Spondaeus): lang-lang (in symbolen: — —)
  • Een trochee (Trochaeus): lang-kort (in symbolen: — ∪)
  • Een dactylus: lang-kort-kort (in symbolen: — ∪ ∪)

In de hexameter houdt men geen rekening met het rijm en dergelijke; de nadruk ligt op het metrum.

De eerste vijf voeten zijn telkens ofwel een dactylus, ofwel een spondee. Vaak is bij de eerste versvoet sprake van een dactylus; de vijfde is bijna altijd een dactylus. Indien de vijfde versvoet toch een spondee is, spreken we van een spondeïsch vers. De zesde versvoet is een spondee of een trochee.

Een vers met veel spondeeën klinkt meestal eerder neerslachtig, een vers met dactylen zal eerder vrolijkheid uitdrukken. Ook zullen verzen met veel dactylen gebruikt worden om een snelle opeenvolging van acties uit te drukken, vanwege het snelle ritme.

In het Nederlands is de lengte altijd gekoppeld aan de klemtoon. Een lange lettergreep is ook altijd hoger en luider dan een korte. Gezamenlijk heet dat klemtoon. In het Grieks en het Latijn echter kon de klemtoon onafhankelijk optreden van de lengte.

Enkele voorbeelden:

  • Traag vaak schreef mijn pen die zin neer op kleine papiertjes.
In symbolen zou dat zijn: — — / — — / — — / — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪
  • Geef me m'n hoed en m'n jas en m'n tas want ik ga me bedrinken.
In symbolen zou dat zijn: — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪

Cesuur[bewerken]

In elk vers staat er een cesuur (rustpunt //). Meestal is dit na de 5de halve voet. Men spreekt dan van een semiquinaria. Anders wordt er een cesuur geplaatst na de 3de en/of de 7de halve voet. Men spreekt hier dan van respectievelijk de semiternaria en semiseptenaria. Met de voorbeelden van hierboven:

  • Traag vaak schreef mijn pen // die zin neer op kleine papiertjes.
In symbolen zou dat zijn: — — / — — / — // — / — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪
  • Geef me m'n hoed en m'n jas // en m'n tas want ik ga me bedrinken.
In symbolen zou dat zijn: — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — // ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪

In dit laatste voorbeeld kunnen evenwel cesuren worden geplaatst na de 3de en/of de 7de halve voet. Men vermoedt dat in de Oudheid de voordrager zelf de vrijheid had om de plaats van de cesuren te interpreteren:

  • Geef me m'n hoed // en m'n jas en m'n tas // want ik ga me bedrinken.
In symbolen zou dat zijn: — ∪ ∪ / — // ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — // ∪ ∪ / — ∪ ∪ / — ∪

Voorbeelden uit het Latijn[bewerken]

  • In nova fert animus mutatas dicere formas (Dit is de eerste vers van Ovidius' Metamorphoses) - Mijn geest zet mij ertoe aan te dichten over veranderde vormen
In symbolen zou dat zijn: — ∪ ∪ / — // ∪ ∪ / — — / — — / — ∪ ∪ / — —