Edict van Nicomedia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Edict van Nicomedia [1][2][3] was een in 311 uitgevaardigd edict door de Romeinse keizer Galerius die een einde maakte aan de christenvervolgingen in het Romeinse Rijk.

Onder het bewind van Galerius’ voorganger, Diocletianus, vonden er grote christenvervolgingen plaats. Ook Galerius nam hieraan deel en nam zelfs het initiatief tot vervolgingen in zijn rijksdeel toen dat aan hem werd toebedeeld door de oprichting van de Tetrarchie. Toen hij door een ziekte werd geveld en hij inzag, dat hij nog maar kort te leven had, wilde hij voorkomen, dat na zijn dood een totale chaos zou ontstaan, waarbij vooral christelijke groeperingen uit het oosten een bedreiging zouden kunnen vormen voor het gehele Romeinse Rijk.

Om dergelijke verstoringen te voorkomen vaardigde hij het Edict van Nicomedia uit, waarin bepaald werd dat het voor christenen was toegestaan hun kerken weer op te bouwen en daarin samen te komen, mits het geen bedreiging zou vormen voor de openbare orde. Gevangengenomen christenen werden vrijgelaten en de keizer verzocht hun om te bidden voor heil voor hemzelf en het land. Met deze verzoenende poging trachtte hij de christenen te binden aan de belangen van het Romeinse Rijk. In het edict werden de christenen er immers op gewezen, dat deze toestemming alleen mogelijk gemaakt was door '…onze bijzonder milde clementie, en met het oog op onze voortdurend volgehouden gewoonte aan alle mensen vergiffenis te schenken…' (vertaling uit het Latijn: contemplatione mitissimae nostrae clementiae intuentes et consuetudinem sempiternam, qua solemus cunctis hominibus veniam indulgere).

Vijf dagen na de uitvaardiging van het Edict overleed Galerius. Zijn aanzet tot religio licita (Latijn: toegestane godsdienst) voor het Christendom zou 2 jaar later in Milaan verder worden voortgezet, zie Edict van Milaan.

Visie[bewerken]

Apologeten wezen erop, dat de ziekte van Galerius de aanleiding was tot de uitvaardiging van het Edict van Nicomedia. Zijn dood die na vijf dagen volgde werd vervolgens geïnterpreteerd als “het te laat nemen van een besluit inzake de vrijheid aan christenen“.

Bron[bewerken]

De originele tekst zelf is niet bewaard gebleven, maar Lucius Caecilius Firmianus Lactantius haalt in zijn boek De mortibus persecutorum (hoofdstuk 38 en 45) grote delen van deze originele tekst aan. Op plastische wijze wordt in dit boekje verhaald, hoe Galerius te lijden had van zijn ziekte.

Noten[bewerken]

  1. (la) Edictum Tolerationis (311), Latijnse tekst.
  2. (nl) Nederlandse vertaling Tolerantie-edict van Galerius, Nicomedia (311) & 'Edict van Milaan' (313), vertaling gepubliceerd in: Hermeneus, 79,2007,111-112 (themanummer Constantijn)
  3. (en) Engelse vertaling Edict van Galerius (311) en Edict van Milaan (313)