Frequentativiteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Iteratie, iterativiteit of frequentativiteit is het verschijnsel dat door middel van een bepaalde woordvorm het zich voortdurend herhalende karakter van de genoemde handeling wordt uitgedrukt. Iterativiteit betreft in het algemeen aspecten van werkwoorden, maar afhankelijk van de manier waarop in een taal de woordsoorten worden ingedeeld kan het in sommige talen ook om andere lexicale categorieën gaan. Over het algemeen wordt er een affix toegevoegd aan de werkwoordsvorm. Vaak gaat dit gepaard met andere fonologische processen, zoals geminatie, reduplicatie en ablaut.

Nederlands[bewerken]

In het Nederlands is het productiefste iteratieve affix het suffix -el (soms ook -er). Dit suffix wordt na de stam maar voor een eventuele uitgang (bijvoorbeeld -en of -t) van werkwoorden geplaatst om het iteratieve karakter van de genoemde handeling uit te drukken:

  • hinkenhinkelen: "De meisjes bleven de hele middag hinkelen."
  • trappentrappelen: "Het kind trappelt van opwinding."
  • snuivensnuffelen: "De hond snuffelde aan de etensbak."
  • schuivenschuifelen: "Schuifel eens hierheen!"
  • stotenstotteren: "Stotter je altijd zo erg?"
  • stuitenstuiteren: "Zij speelden met een stuiterballetje.

Van veel van dit soort koppels is het oorspronkelijke werkwoord niet meer in gebruik in het Nederlands of zijn de betekenissen zo ver uit elkaar gegroeid dat het verband ertussen nog maar moeilijk te herkennen is. Bij sommige iteratieve vormen zoals zwengelen, murmelen en mompelen is de oude grondvorm van het werkwoord zelfs helemaal verdwenen uit de standaardtaal. Vroeger kwam in het Nederlands het suffix -el ook voor om verkleinwoorden te maken; er kan gevoelsmatig verband zijn tussen een hogere frequentie en een lagere intensiteit.[1]

Omgekeerd is het niet zo dat elk Nederlands werkwoord op –elen en –eren iteratie aangeeft. Zo zijn bijvoorbeeld lepelen en rimpelen geen iteraties van de grondvormen *lepen en *rimpen, maar door middel van verbalisatie afgeleid van de zelfstandige naamwoorden lepel en rimpel. Ook druppelen is niet de iteratieve vorm van druppen, maar afgeleid van druppel, dat een oud verkleinwoord van drop is. Als de stam van het werkwoord niet als zelfstandig naamwoord voorkomt, is het waarschijnlijk dat het om een iteratief gaat. Soms komt de stam van een iteratief ook als zelfstandig naamwoord voor, maar is die juist afgeleid van het iteratief (bibber) of gaat het om een heel andere betekenis dan het iteratief (knipper).

Lijst met Nederlandse iteraties[bewerken]

Iteratie Afgeleid van (cursief: oude vorm)
bazelen bazen (nog in: verbazen)
bibberen beven
blikkeren blikken
brokkelen brokken
dribbelen drijven
duikelen duiken
glibberen glippen
grabbelen grabben (Engels: to grab)
hakkelen hakken
hinkelen hinken
hobbelen hobben (hoppen)
huppelen huppen (hoppen)
hutselen hutsen
jakkeren jakken (jagen)
keilderen keilen
kibbelen kibben (kijven)
kieperen kiepen
klakkeren klakken
klapperen klappen
klepperen kleppen
kletteren kletten
klonteren klonten
knipperen knippen
krabbelen krabben
kreukelen kreuken
kringelen kringen
lebberen lebben
lispelen lispen
lubbberen (lobberen) lobben
makelen maken
nestelen nesten
pinkelen pinken
prikkelen prikken
rijmelen rijmen
sabbelen (zabbelen) zabben
scharrelen scharren
schuifelen schuiven
sijpelen zijpen
sniffelen snuiven
snotteren snuiten
snuffelen snuiven
spatteren spatten
spetteren spatten
stotteren stoten
stribbelen streven
strompelen strompen
struikelen struiken
stuiteren stuiten
tikkelen tikken
trappelen trappen
vezelen vezen
vleieren vleien
vlotteren vlotten
wandelen wenden
weifelen weiven (wuiven)
wentelen welten
wichelen wikken
wiebelen wipen (ook in: wippen)
wiegelen wiegen
zabberen zabben
zeilderen zeilen
zwijmelen (zwijmeren) zwijmen

Engels[bewerken]

In het moderne Engels is iterativiteit geen productief verschijnsel meer. Er bestaan echter vrij veel versteende iteratieve werkwoordsvormen die in eerdere fasen van het Engels zijn gevormd door middel van de suffixen -le en -re:

  • flutter (< float), "drijven".
  • dazzle (< daze ), "verblinden, verbijsteren".
  • sniffle (< sniff), "snuiven".

Duits[bewerken]

In het Duits vervangen de suffixen -eln of -ern de infinitiefuitgang -en:

  • klingen, "klinken" → klingeln, "herhaaldelijk klinken".
  • stechen, "steken" → sticheln, "herhaaldelijk steken".

Latijn[bewerken]

In het Latijn is vooral het iteratieve infix -it erg productief. Dit infix wordt geplaatst tussen de stam en de werkwoordsuitgang:

  • venire, "komen", → ventitare, "vaak komen".
  • facere "doen, maken" → factitare "gewoonlijk doen".

Fins[bewerken]

Het Fins kent een vrij groot aantal iteratieve affixen. Met behulp hiervan worden niet alleen temporele maar ook ruimtelijke aspecten weergegeven, bijvoorbeeld de betekenis "rondom, in het rond". De meest voorkomende iteratieve infixen zijn -i- en -ele. Deze komen vaak voor in combinatie met medeklinkergradatie:

  • sataa — sadella — satelee "regenen — af en toe regenen — het regent af en toe"
  • ampua — ammuskella — ammuskelen "schieten — "in het rond schieten" — Ik ga in het rond schieten"
  • juosta — juoksennella — juoksentelen "rennen — rond/heen en weer rennen — Ik ren rond/heen en weer"
  • heittää — heittelehtiä — heittelehdit "gooien" — "doen afwijken" — "jij doet afwijken"
  • loikata — loikkia — loikin "één keer springen" — "op en neer springen" — "Ik spring op en neer"

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties