Frequentativiteit
Iteratie, iterativiteit of frequentativiteit is het verschijnsel dat door middel van een bepaalde woordvorm het zich voortdurend herhalende karakter van de genoemde handeling wordt uitgedrukt. Iterativiteit betreft in het algemeen aspecten van werkwoorden, maar afhankelijk van de manier waarop in een taal de woordsoorten worden ingedeeld kan het in sommige talen ook om andere lexicale categorieën gaan. Over het algemeen wordt er een affix toegevoegd aan de werkwoordsvorm. Vaak gaat dit gepaard met andere fonologische processen, zoals geminatie, reduplicatie en ablaut.
Inhoud |
Nederlands [bewerken]
In het Nederlands is het productiefste iteratieve affix het infix -el (soms ook -er). Dit infix kan tussen de stam en de uitgang -en van werkwoorden worden geplaatst om het iteratieve karakter van de genoemde handeling uit te drukken:
- druppen → druppelen
- trappen → trappelen
- snuiven → snuffelen
- schuiven → schuifelen
- stoten → stotteren
- stuiten → stuiteren
Van veel van dit soort koppels is het oorspronkelijke werkwoord niet meer in gebruik in het Nederlands of zijn de betekenissen zo ver uit elkaar gegroeid dat het verband ertussen nog maar moeilijk te herkennen is. Bij sommige iteratieve vormen zoals zwengelen, murmelen en mompelen is de oude grondvorm van het werkwoord zelfs helemaal verdwenen uit de standaardtaal.
Omgekeerd is het niet zo dat elk Nederlands werkwoord op –elen en –eren iteratie aangeeft. Bij iteraties wordt de stam van het werkwoord nooit als zelfstandig naamwoord gebruikt. Zo zijn bijvoorbeeld lepelen en rimpelen geen iteraties van de grondvormen *lepen en *rimpen, maar door middel van verbalisatie afgeleid van de zelfstandige naamwoorden lepel en rimpel. Ook druppelen is niet de iteratieve vorm van druppen, maar afgeleid van druppel, dat een oud verkleinwoord van drop is.
Lijst met Nederlandse iteraties [bewerken]
| Iteratie | Afgeleid van |
|---|---|
| bibberen | beven |
| duikelen | duiken |
| hakkelen | hakken |
| huppelen | huppen/hoppen |
| jakkeren | jagen |
| kibbelen | kijven |
| klapperen | klappen |
| klepperen | kleppen |
| knipperen | knippen |
| krabbelen | krabben |
| prikkelen | prikken |
| schuifelen | schuiven |
| sijpelen | zijpen |
| sniffelen | snuiven |
| snotteren | snuiten |
| spatteren | spatten |
| stotteren | stoten |
| stuiteren | stuiten |
| trappelen | trappen |
| wandelen | wenden |
| wiebelen | weven |
| wiegelen | wiegen |
Engels [bewerken]
In het moderne Engels is iterativiteit geen productief verschijnsel meer. Er bestaan echter vrij veel versteende iteratieve werkwoordsvormen die in eerdere fasen van het Engels zijn gevormd door middel van de suffixen -le en -re:
- flutter (< float), "drijven".
- dazzle (< daze ), "verblinden, verbijsteren".
- sniffle (< sniff), "snuiven".
Duits [bewerken]
In het Duits vervangen de suffixen -eln of -ern de infinitiefuitgang -en:
- klingen, "klinken" → klingeln, "herhaaldelijk klinken".
- stechen, "steken" → sticheln, "herhaaldelijk steken".
Latijn [bewerken]
In het Latijn is vooral het iteratieve infix -it erg productief. Dit infix wordt geplaatst tussen de stam en de werkwoordsuitgang:
- venire, "komen", → ventitare, "vaak komen".
- facere "doen, maken" → factitare "gewoonlijk doen".
Fins [bewerken]
Het Fins kent een vrij groot aantal iteratieve affixen. Met behulp hiervan worden niet alleen temporele maar ook ruimtelijke aspecten weergegeven, bijvoorbeeld de betekenis "rondom, in het rond". De meest voorkomende iteratieve infixen zijn -i- en -ele. Deze komen vaak voor in combinatie met medeklinkergradatie:
- sataa — sadella — satelee "regenen — af en te regenen — het regent af en toe"
- ampua — ammuskella — ammuskelen "schieten — "in het rond schieten" — Ik ga in het rond schieten"
- juosta — juoksennella — juoksentelen "rennen — rond/heen en weer rennen — Ik ren rond/ heen en weer"
- heittää — heittelehtiä — heittelehdit "gooien" — "doen afwijken" — "jij doet afwijken"
- loikata — loikkia — loikin "één keer springen" — "op en neer springen" — "Ik spring op en neer"