Gok van Pascal
De Gok van Pascal is een argument dat soms wordt gebruikt om in de christelijke God te geloven. De Gok is oorspronkelijk geformuleerd door de Franse wiskundige Blaise Pascal in noot 233 van zijn Pensées (1669).
Het argument zit als volgt in elkaar:
- Als men in God gelooft, en hij bestaat, dan komt men in de hemel.
- Als men niet in God gelooft, maar hij bestaat wél, dan komt men in de hel.
- Als God niet bestaat, heeft wat men gelooft geen gevolgen.
- Conclusie: men kan beter geloven in God, dan komt men in ieder geval niet in de hel, en misschien wel in de hemel.
De eerste twee premissen gaan uit van het christelijke dogma zoals geformuleerd in onder andere Johannes 3:36, de derde premisse gaat uit van een nulhypothese. Als wiskundige berekende Pascal de winstverwachting van geloven in God, en zoals hij door bovenstaande argumentatie concludeerde, kan men maar beter gokken dat God bestaat, omdat in het geval dat God inderdaad bestaat dit het beste lot met zich meebrengt, en het anders toch niet uitmaakt.
Critici stellen dat de Gok van Pascal meerdere fouten bevat.
- Het is een ad consequentiam-drogreden. De Gok van Pascal levert geen inhoudelijk bewijs dat God bestaat, alleen het gevolg van wel of niet in hem geloven (en kan zodoende slechts als nevenschikkend argument voor geloof in God gebruikt worden).
- Critici vragen zich af of men wel kan besluiten om te geloven in God zonder echt van zijn bestaan te zijn overtuigd, alleen maar om de hel te mijden. Als God alwetend is -zoals veel christenen stellen- dan zou hij dit bedrog meteen doorzien (zoals onder andere in Matteüs 7:21-23 wordt gesteld). Het zou daarom geen zin hebben om, uit angst om in de hel te komen, zich op het sterfbed (of eerder) te bekeren.
- De Gok veronderstelt dat alleen de christelijke God (JHWH) zou kunnen bestaan; er zijn echter talloze goden en godinnen waarin de mensheid gelooft of geloofd heeft, en Pascal kan ons niet vertellen waarom het bestaan van de christelijke God waarschijnlijker is dan dat van alle anderen. Als (een) andere god(en) de mensen opwacht(en) na de dood, zou(den) deze(n) hen evengoed kunnen straffen voor hun geloof in de verkeerde god (of, als men bijvoorbeeld veronderstelt dat de christelijke god gelijk is aan de islamitische (Allah), in de verkeerde profeet, namelijk Jezus in plaats van Mohammed). Dit bezwaar, ook wel bekend als het argument van inconsistente openbaringen, haalt de positieve winstverwachting onderuit.
Literatuur
|