György Kurtág

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kurtág in 2002

György Kurtág (Lugoj, 19 februari 1926) is een Hongaars componist van hedendaagse klassieke muziek. Concentratie en spontaniteit vormen belangrijke constanten in zijn toonspraak.

Biografie[bewerken]

György Kurtág werd op 19 februari 1926 als kind van Hongaarse ouders in het Roemeense Lugoj geboren. Tot 1918 had Lugoj (Hongaars: Lugos, Duits: Lugosch) tot de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie behoord. Zijn eerste piano-onderricht kreeg hij op vijfjarige leeftijd van zijn moeder. Lessen volgden te Timișoara vanaf 1940 en van 1946 tot 1955 aan de Ferenc Liszt-Akademie voor muziek te Boedapest, waar hij onder andere studeerde bij Sándor Veress en Ferenc Farkas en vriendschap sloot met György Ligeti.

In 1947 huwde Kurtág de pianiste Márta Kinsker (°1928), die in 1954 zou bevallen van hun zoon György Kurtág Jr. (°1954). De Hongaarse nationaliteit verkreeg Kurtág in 1948. Aanvankelijk was hij voornamelijk actief als pianist.

In 1957 ging de componist voor een jaar naar Parijs waar hij studeerde bij onder meer Olivier Messiaen en Darius Milhaud. Van 1958 tot 1963 werkte Kurtág als répétiteur aan de Béla Bartók Middelbare School voor Muziek en van 1960 tot 1968 bij de Hongaarse Nationale Filharmonie. Tijdens de jaren van 1967 tot 1986 was hij officieel verbonden aan de Ferenc Liszt-Akademie voor muziek waar hij aanvankelijk piano en vanaf 1969 kamermuziek onderwees. In praktijk bleef hij er tot 1993 enkele leerlingen onderrichten.

Een belangrijke stimulans in Kurtágs loopbaan waren de contacten met de Új Zenei Stúdió (Studio voor Nieuwe Muziek) vanaf de jaren zeventig, wanneer hij tevens actief was bij de gregoriaanse zanggroep Schola Hungarica.

De jaren tachtig brachten Kurtág voor het eerst internationale bekendheid. Hij genoot faam als pedagoog, als leraar van bijvoorbeeld Zoltán Kocsis, maar wekte ook interesse met de heropname van zijn concertactiviteit die hij in 1956 had opgegeven en een toename van zijn compositorische creativiteit. Deze inspanningen werden bekroond met verschillende internationale opdrachten en prijzen.

Sedert 1993 verbleef Kurtág vervolgens te Berlijn, Wenen, Amsterdam en Parijs, waar een samenwerking met het Ensemble InterContemporain tot stand kwam. In 2001 vestigde hij zich in het Franse Saint-André-de-Cubzac.

Stijl en werk[bewerken]

Globaal gezien refereert Kurtágs muzikale taal aan twee grote en ook algemeen heel invloedrijke componisten. Enerzijds bouwt ze verder op de kinderlijke spontaniteit en primitieve oerkracht die vaak terug te vinden is in het werk van Béla Bartók. Anderzijds bedient ze zich van een extreme concentratie van de compositorische arbeid, eigen aan het geleerde oeuvre van Anton Webern. Dit vertaalt zich in een intensivering van expressie en schrijfwijze, gekoppeld aan een reductie van middelen zoals bezetting en vorm. Naast zijn studies compositie en zijn activiteit als Bartók-vertolker was Kurtágs verblijf in Parijs van onschatbare waarde. Hier kopieerde en bestudeerde hij niet enkel Weberns belangrijkste werken, maar vond hij tevens de sleutel tot zijn eigen compositorische taal. De kunstpsychologe Marianne Stein adviseerde hem namelijk zich toe te leggen op eenvoudige muzikale principes, zoals het verbinden van twee enkele tonen, die bijvoorbeeld in de pianocyclus Játékok uitgebreid geëxploreerd worden.

Het strijkkwartet op. 1 (1959) dat bijvoorbeeld gebruik maakt van ostinato, contrasterende articulatie en karakteristieke ritmische structuren en ook experimenteert met twaalftoonsreeksen en concentratie van expressie en vorm, bleek het eerste Hongaarse werk dat assimilatie met de moderne Westerse muziek vertoonde.

Als eerste volwassen compositie geldt de (voor Kurtág) uitgebreide liederencyclus voor sopraan en piano Bornemisza Péter mondásai op. 7 (De Spreuken van Péter Bornemisza) (1963–8, herzien in 1976), waarin de componist de Hongaarse taal op een zeer gevoelige wijze weet te toonzetten.

Een impasse in zijn compositorische activiteit werd doorbroken door de uitnodiging van de pianolerares Marianne Teöke tot het schrijven van een bijdrage tot een pianoalbum voor kinderen. Als antwoord begon Kurtág in 1973 aan enkele stukjes die hij verzamelde onder de titel Elő-Játékok (Voor-Spelen) (1973–4). Dit project gaf meteen gestalte aan de bevrijdende creativiteit die aan de basis ligt van Játékok (Spelen) (1973 – ), dat gedurende een drietal decennia tot een enorm geheel van uiterst gevarieerde twee- tot zeshandige pianominiatuurtjes is uitgegroeid. Zowel artistiek als pedagogisch, geleerd als naïef, strikt als vrij, vindt de cyclus niettemin een sterke samenhang binnen zijn diversiteit. Játékok interageert met de buitenwereld, reflecteert, commentarieert en experimenteert. Opgevat als aantekeningen in een zowel muzikaal als persoonlijk dagboek refereren vele “spelen” dan ook rechtstreeks aan de muzikale overlevering of aan Kurtág’s persoonlijke leven. Nieuwe ideeën worden uitgewerkt en staan mogelijk model voor ander werk. Daartegenover bieden bestaande technieken, stijlen en concrete composities van anderen en hemzelf een onuitputtelijke bron aan inspiratie. Vele stukjes zijn ook biografisch gekleurd.

Kurtágs fascinatie voor de Russische taal gaf het licht aan een aantal werken waarvan Poslanija pokojnoj R. V. Trusovoj op. 17 [Послания покойной Р. В. Трусовой] (Berichten van de overleden R. V. Trusova) (1976 – 80) voor sopraan en ensemble zijn internationaal prestige aanzienlijk vergrootte.

In ...quasi una fantasia... op. 27 nr. 1 (1987–8) en het dubbelconcerto Op. 27 No. 2 (1989–90), beide voor piano, cello en twee kamerensembles, spatialiseert Kurtág de instrumentengroepen over de concertruimte.

Stele op. 33 (1994), dat zoals Op. 27 No. 2 teruggrijpt naar materiaal uit Játékok, is Kurtágs eerste werk voor groot orkest sinds zijn altvioolconcert (1953–4) dat hij schreef als eindexamenwerk aan de Liszt-academie.

In later werk vertrekt hij vaak van de groepering van korte fragmenten. Een voorbeeld zijn de Hölderlin-Gesänge op. 35 (1993–) voor één tot drie baritons en trombone en tuba ad libitum, dat voortdurend open is voor toevoegingen en bewerkingen door de componist en waaruit de uitvoerders fragmenten mogen selecteren in een vrij te kiezen volgorde.