Knotwilg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Knotwilgen in Maastricht, met op de achtergrond de Sint-Pietersberg.
Knotwilgen in Park Oudegein in Nieuwegein bij Utrecht

Een knotwilg is een wilg die enkele jaren na te zijn geplant op circa 2 m hoogte werd afgezaagd. Daarna wordt de boom iedere 5-7 jaar geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg z'n naam dankt. Aanplantingen waar de wilg op maximaal 50 cm hoogte geknot is worden grienden genoemd.

De productie van wilgentenen werd op de grienden die vaak buitendijks aan de grote rivieren waren gelegen op grote schaal uitgevoerd. Deze wilgentenen zijn de dunne takken van de katwilg. Tegenwoordig is de vraag ernaar sterk afgenomen. Om de karakteristieke door de mens gevormde wilgen voor het landschap te behouden dienen ze met regelmaat te worden geknot, dit gebeurt nu vaak door vrijwilligers.

In de humusrijke knot van oudere bomen broeden soms eenden en kunnen ook planten groeien. Snelgroeiende planten als de vlierstruik of de lijsterbes kunnen zo een knotwilg laten splijten.

Een knotwilg kan zo'n vijftig jaar oud worden.

Opmerking: Niet alleen wilgen werden als knotboom ingezet. Men benutte onder meer ook de es, de populier en de zomereik als knotboom.

Zie ook[bewerken]