Kwantumgetal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Kwantumgetallen worden gebruikt om de plek en de staat van een elektron in een baan om een atoomkern weer te geven. Daarvoor zijn 4 verschillende kwantumgetallen nodig:

2 elektronen in een baan om een atoomkern kunnen nooit 4 dezelfde kwantumgetallen hebben. Er is er op zijn minst 1 verschillend. Hieronder wordt uitgelegd hoe de verschillende kwantumgetallen te bepalen zijn.

Hoofdkwantumgetal Dit kwantumgetal wordt aangeduid met de letter n. Dit getal slaat namelijk op de periode waarin een elektron zich bevindt. De periode van een atoom is te vinden door op te zoeken in welke rij het atoom zich bevindt in het periodiek systeem. De periode van elektron is iets moeilijker. Daarvoor moet geteld worden vanaf het eerste element (waterstof) en dan komt men dus in een bepaalde periode uit en dat is het hoofdkwantumgetal van het betreffende elektron.

Voorbeeld 1: Het hoofdkwantum getal van het 16e elektron van Broom.

Daarvoor moet dus geteld worden vanaf het eerste element (waterstof), naar het tweede element (helium), naar het derde (Lithium) tot en met het 16e element. Uiteindelijk kom je dus bij het element S (zwavel) uit. Zwavel staat in de 3e periode van het periodiek systeem. Het hoofdkwantumgetal van het 16e elektron van Broom is dus 3 (n=3). N.B. Van elk element heeft het 16e elektron hoofdkwantumgetal 3 omdat je steeds op dezelfde manier telt en dus steeds op de zelfde plek (en dus zelfde periode) in het periodiek systeem uitkomt.

Voorbeeld 2: Het hoofdkwantumgetal van het laatste elektron van Zuurstof.

Daarvoor moet dus eerste bepaald worden hoeveel elektronen zuurstof heeft. Dat is niet zo moeilijk het aantal elektronen is namelijk gewoon gelijk aan het atoomnummer van een atoom (bij zuurstof is dit dus 8). Het laatste elektron van zuurstof is dus het 8e elektron. Vervolgens wordt weer op dezelfde manier geteld als bij het vorige voorbeeld en kom je uit bij periode 2.

Nevenkwantum getal Dit kwantumgetal wordt aangeduid met de letter l. Dit getal slaat op de schil waarin een elektron zich bevind. In het periodiek systeem zijn verschillende groepen van elektronen die bij een bepaalde schil horen. De groepen zijn de kolommen van het periodiek systeem (de eerste kolom is groep 1; kolom 2 is groep 2 etc.). Groep 1 en 2 horen bij de S-schil (belangrijk: het element helium (staat in groep 18) hoort ook bij de S-schil). Groep 3 tot en met 12 horen bij de D-schil. Groep 13 tot en met 18 horen bij de P-schil (met uitzondering van Helium die hoort bij de S-schil). De Lathiniden en actiniden (elementen 58 tot en met 71 en elementen 90 tot en met 103) horen bij de F-schil. Een elektron in de S-schil krijgt getal 0, de P-schil krijgt getal 1, de D-schil krijgt getal 2, de F-schil krijgt getal 3.

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken