Atoomkern

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
opbouw van materie

Een atoom bestaat uit een atoomkern, ook wel nuclide genoemd, met daarom heen een wolk elektronen. Dit elementaire inzicht in de opbouw van de materie werd in 1911 door Ernest Rutherford gepubliceerd. De kern is, zelfs ten opzichte van de grootte van het atoom, bijzonder klein maar positief geladen en de drager van vrijwel de gehele massa van het atoom. De kern, zo werd later ontdekt, bestaat uit twee soorten subatomaire deeltjes of nucleonen: protonen en neutronen.

De positieve lading en daarmee het atoomnummer van het element wordt bepaald door het aantal protonen in de kern. De massa wordt bepaald door de som van het aantal protonen en neutronen. Deze twee deeltjes hebben bijna dezelfde massa. Er zijn meestal wat meer neutronen dan protonen in de kern.

Een voorbeeld: een atoom van element 92 (uranium) heeft 92 protonen in de kern. Er komen in de natuur twee soorten kernen (isotopen) van uranium voor: 235U en 238U. Het eerste isotoop heeft 235 nucleonen in totaal, dat wil zeggen 235 – 92 of 143 neutronen. Het andere isotoop heeft drie neutronen meer. Een mol 235U zou ongeveer 235 gram massa bevatten. Het getal 235 is het massagetal.

Positieve ladingen stoten elkaar af en de gravitatiekracht waarmee protonen elkaar aantrekken is zeer veel (een factor 1036) kleiner. Het is dan ook een andere kracht die de atoomkern bij elkaar houdt. Deze wordt de kernkracht genoemd, een restkracht van de sterke wisselwerking die de quarks binnen de protonen en neutronen bij elkaar houdt. Alleen op afstanden in de grootteorde van enkele kerndeeltjes van de atoomkern is deze kracht werkzaam. Over deze korte afstanden is deze kracht sterker dan de afstotende elektromagnetische kracht. De kernkracht kan vergeleken worden met de Van der Waalskracht, een elektrische restkracht tussen neutrale atomen.

Zoek dit woord op in WikiWoordenboek