Maria Goeppert-Mayer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nobelprijswinnaar  Maria Goeppert-Mayer
28 juni 190620 februari 1972
Mayer.jpg
Geboorteland    Duitse Keizerrijk
Geboorteplaats    Katowice
Nationaliteit    Duits-Amerikaans
Plaats van overlijden    San Diego
Nobelprijs voor de    Natuurkunde
In    1963
Reden    Voor hun ontdekkingen betreffende de schilstructuur van de atoomkern.
Samen met    Hans Jensen
Gedeeld met    Eugene Wigner
Voorganger(s)    Lev Landau
Opvolger(s)    Charles Townes
Nikolaj Basov
Aleksandr Prochorov
Portaal  Portaalicoon   Natuurkunde

Maria Goeppert-Mayer (Katowice, 28 juni 1906San Diego, 20 februari 1972) was een in het Duitse Rijk geboren Amerikaanse theoretisch natuurkundige. In 1963 ontving ze de Nobelprijs voor de Natuurkunde tegelijk met Eugene Wigner en samen met Hans Jensen "voor hun ontdekkingen betreffende de schilstructuur van de atoomkern." Ze was de tweede vrouwelijke winnaar van de Nobelprijs voor de Natuurkunde, na Marie Curie in 1903.

Biografie[bewerken]

Maria Göppert werd geboren in Katowice, Opper-Silezië, als enig kind van Friedrich Göppert en Maria Wolff. Het gezin verhuisde in 1910 naar Göttingen toen haar vader een aanstelling aangeboden kreeg als hoogleraar kindergeneeskunde aan de universiteit aldaar. Haar vader was voor die tijd een vooruitstrevend persoon die geloofde in gelijke kansen voor jongens en meisjes.

Maria bezocht privé en openbare scholen in Göttingen en kreeg een uitstekende opleiding. Temeer omdat ze omringd was met studenten en docenten van haar vaders universiteit, waaronder de latere Nobelprijswinnaars Enrico Fermi, Werner Heisenberg, Paul Dirac en Wolfgang Pauli.

In 1924 slaagde ze voor haar toelatingsexamen en kon ze de universiteit betreden met de bedoeling om wiskundige te worden. Onder haar hoogleraren waren drie toekomstige Nobelprijswinnaars: Max Born, James Franck en Adolf Windaus. In 1930 rondde Goeppert haar wetenschappelijke promotie af en trad ze datzelfde jaar nog in het huwelijk met de fysisch chemicus Joseph Edward Mayer (1904-1983), de assistent van James Franck. Het jaar daarop verhuisde het koppel naar de Verenigde Staten, het geboorteland van Mayer.

De jaren daarna werkte Goeppert-Mayer onofficieel of als vrijwilliger bij de universiteit waar haar man hoogleraar was. Eerst bij de Johns Hopkins-universiteit in Baltimore (1931-39), vervolgens bij de Columbia-universiteit (1940-46) en daarna bij de universiteit van Chicago. Het was de tijd van de grote depressie en geen enkele universiteit wilde de echtgenote van een hoogleraar aannemen.

Desondanks kon ze onderzoek doen naar energieoverdracht van vaste oppervlaktes, samen met de natuurkundige Karl Herzfeld met wie ze samen met haar man enkele artikelen schreef. Tijdens de oorlog raakte ze bevriend met Edward Teller, een Hongaarse vluchteling die een belangrijke rol zou gaan spelen in de ontwikkeling van de waterstofbom.

Chicago was de eerste universiteit waar ze niet als een lastpost werd gezien maar met open armen werd ontvangen. Ze werd benoemd tot professor bij de faculteit natuurkunde en bij het Institute for Nuclear Studies. Daarnaast kreeg ze een positie bij het Argonne National Laboratory, ondanks haar weinige kennis van de kernfysica. Het was gedurende haar tijd bij Chicago en Argonne dat het wiskundige model ontwikkelde betreffende de structuur van atoomschillen, het werk waar ze – samen met Jensen – de Nobelprijs voor kreeg.

In 1960 werd Goeppert-Mayer benoemd tot (voltijds)professor natuurkunde aan de universiteit van Californië te San Diego. Hoewel ze kort na aankomst werd getroffen door een beroerte kon ze voor een aantal jaren haar onderzoek en het doceren toch voortzetten.

Magische getallen[bewerken]

Het was Teller die Maria vroeg om zijn theorie over de oorsprong van elementen nader te onderzoeken. Ze ontdekten dat bepaalde elementen, zoals tin en lood, veel stabieler waren dan op grond van de huidige theorie verklaard kon worden. Dit gold ook voor andere elementen. Toen Goeppert-Mayer het aantal neutronen en protonen in de kern van deze elementen nader bekeek zag ze dat bepaalde getallen steeds weer terugkwamen. Ze noemde deze getallen "magische getallen" en identificeerde er zeven: 2, 8, 20, 28, 50, 82 en 126. Ieder element dat een van deze getallen aan protonen of neutronen bezit is zeer stabiel.

Op basis van deze theorie werd het schillenmodel van de atoomkern bedacht, waarbij de kern opgebouwd is uit schilvormige lagen waarin de nucleonen bewegen. Ze publiceerde haar hypothese in 1949 in de Physical Review. Een maand voor haar werk verscheen werd een gelijkwaardig artikel aangeboden door de Duitse fysicus Hans Jensen. Na een briefwissel onderling besloten ze gezamenlijk een boek hierover te schrijven: Elementary Theory of Nuclear Shell Structure.

Bronnen, noten en/of referenties