Elektron

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Opbouw van materie.

Een elektron is een negatief geladen elementair deeltje, dat gebonden kan zijn (bijv. in een atoom) of zich vrij in de ruimte bevindt. Als het zich in de ruimte bevindt, ondervindt het (net als een ion) invloed van een elektrisch veld en als het beweegt t.o.v. een magnetisch veld ook invloed daarvan. Het woord elektron komt van het Griekse woord ηλεκτρον voor barnsteen.

Inhoud

[bewerken] Structuur van het atoom

Atomen bestaan volgens Rutherfords atoommodel uit een positief geladen atoomkern, waaromheen evenveel negatief geladen elektronen draaien als er positief geladen protonen zijn in de kern. De protonen en neutronen in de kern van het atoom bevatten vrijwel de volledige massa van het atoom. Ze zijn 1800 maal zo zwaar als een elektron.

[bewerken] Kenmerken van het elektron

Het elektron is een elementair deeltje met spin 1/2, en is dus een fermion, zoals het proton, het neutron en het positron. Het antideeltje van het elektron heet positron. Voor zover men weet heeft het elektron geen verdere inwendige structuur. Volgens de populaire stringtheorie is het elektron, evenals andere elementaire deeltjes, een bepaald trillingspatroon in een eendimensionale snaar. Maar over deze snaartheorie is nog veel discussie.

Het elektron heeft een negatieve lading gelijk aan het elementaire ladingskwantum e (1,6022×10-19 Coulomb), voor het eerst gemeten door Robert Andrews Millikan met zijn oliedruppelexperiment. Elektrische ladingen kunnen alleen voorkomen in veelvouden van 1 e.

De rustmassa van het elektron is 9,109534×10-31 kg, wat 1/1836e is van de massa van een proton en overeenkomt met een rustenergie van 511,007 keV. Het elektron heeft overigens net als een foton ook golfeigenschappen en is onderheving aan de dualiteit van golven en deeltjes volgens de hypothese van De Broglie. Deze golfeigenschap van elektronen wordt toegepast binnen de elektronenmicroscoop.

De elektronenconfiguratie bepaalt in hoge mate het chemisch gedrag van het atoom.

[bewerken] Classificatie van het elektron

Het elektron behoort tot de klasse der leptonen. Het elektron behoort tot de eerste generatie. Deze deeltjes zijn stabiel.

[bewerken] Elektronen in een atoom

In een atoom kan het elektron alleen in bepaalde gebieden en met een welbepaalde energie En rond de atoomkern bewegen; het getal n heet het hoofdkwantumgetal. Voor n=1 bevindt het elektron zich in de grondtoestand, voor n>1 bevindt het elektron zich in een aangeslagen toestand. De waarde van n kan alleen een geheel getal zijn. Deze toegestane toestanden worden discrete energieniveaus genoemd.

[bewerken] Overige kenmerken

Spectraallijnen
Omdat een elektron in het atoom alleen bepaalde discrete energieniveaus kan hebben, zal bij overgang tussen deze energieniveaus emissie of absorptie van licht plaatsvinden, waarbij de frequentie rechtevenredig is met de energie. De evenredigheidsconstante heet de constante van Planck. Zie ook spectraallijnen, materiegolven en het atoomspectrum.
Elektrische geleiding 
Als door een externe invloed een elektron los raakt van de atoomkern en dus vrij kan bewegen, wordt het een geleidingselektron of vrij elektron genoemd. Dit vrije elektron kan bijdragen aan de elektrische geleiding. Deze geleidingselektronen zijn de ladingsdragers van de elektrische stroom. Zie vacuümbuizen
Energieband 
Elektronen bevinden zich op bepaalde discrete energieniveaus binnen een atoom. Binnen moleculen of vaste stoffen kunnen deze energieniveaus zeer dicht tegen elkaar liggen en gaan deze energieniveaus over in een energieband.
Valentieband 
Het hoogste bezette energieniveau behorende bij een vaste stof noemt men de valentieband. Dit energieniveau wordt in moleculen ook de HOMO (Highest Occupied Molecular Orbital) genoemd.
Geleidingsband 
Het laagste niet bezette energieniveau noemt men in een vaste stof de geleidingsband; in een molecuul spreekt men van de LUMO (Lowest Unoccupied Molecular Orbital). Omdat een elektron dat in deze band komt relatief ver van de kern verwijderd is, zal dat elektron gemakkelijk het atoom weer verlaten: deze elektronen zorgen voor de geleiding.
Verboden zone 
De ruimte tussen de geleidingsband en de valentieband is een verboden zone (ook band gap genoemd). Bij geleiders is er geen band gap, of is die verboden zone zo klein dat elektronen van de valentieband kunnen overspringen naar de geleidingsband. Deze elektronen kunnen dan deelnemen aan de geleiding.
Isolator 
Tegenovergestelde van geleider. Een isolator is een stof waarin geen elektrische stroom kan lopen. In een isolator zijn er dus geen vrije elektronen. De bewegingen van de elektonen zijn beperkt in hun atoom. Er zijn evenveel elektronen als energieniveaus, waardoor de elektronen alleen maar van plaats kunnen verwisselen. Door een plaatsverwisseling van elektronen verandert niets aan het energieniveau, omdat alle elektronen dezelfde energiewaarde hebben. Bij een elektrisch veld kunnen wel de banen een beetje verschuiven (polarisatie).
Geleider 
Tegenovergestelde van isolator. In geleiders kunnen de elektronen vrij bewegen. Wanneer de elektronen in de geleider, bijvoorbeeld een koperen draad, gemiddeld gezien een bepaalde richting opgaan, spreekt met van elektrische stroom in die geleider.
Halfgeleider 
Bij een halfgeleider is de grootte van de verboden zone van dezelfde orde als de thermische energie. Hierdoor is het voor elektronen soms mogelijk om over te springen van de valentieband naar de geleidingsband waardoor deze materialen in zuivere vorm een zeer kleine geleiding vertonen.
Statische elektriciteit 
Statische elektriciteit ontstaat wanneer een voorwerp meer of minder elektronen bevat dan nodig zijn om de positieve lading van de protonen in de kern op te heffen.
Ionen 
Als er in een atoom meer of minder elektronen zijn dan het aantal protonen in de kern, is het atoom geladen en heet dan een ion.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Externe links


RomanW-01.png

Persoonlijke instellingen