Modaliteit (taalkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met modaliteit wordt in de taalkunde de verhouding tussen de werkelijkheid en de beschrijving van de werkelijkheid bedoeld. Taalelementen die vooral worden gebruikt om deze verhouding uit te drukken zijn bijwoorden (zoals modale partikelen), modale werkwoorden en bepaalde tempi (met name de verleden tijd).

Op het gebied van modaliteit is veel onderzoek verricht door John Lyons en Émile Benveniste.

Soorten / indeling[bewerken]

De volgende hoofdsoorten modaliteit worden onderscheiden:

  • vermoeden: Ik denk dat ze er is / Ze zou er nou toch moeten zijn!
  • bevel/ (dringend) verzoek: Kom nou toch eens/ Kom alsjeblieft!
  • niet-werkelijkheid (zie ook irrealis): Dit zou al lang gebeurd zijn, als niet...
  • mogelijkheid: Ik kan/ Ik zou dit (eventueel) kunnen doen.
  • citaat (zie ook indirecte rede): Hij zei dat hij klaar was.

Modaliteit is in 2001 door Frank R. Palmer opnieuw zo ingedeeld:

Modaliteit in verschillende talen[bewerken]

In het Nederlands en andere (met name Indo-Europese) talen worden zeer veel modale werkwoorden als kunnen, mogen en willen gebruikt. Daarnaast kan een bepaalde wijs (bijvoorbeeld de aanvoegende) soms ook een modaliteit uitdrukken. De indicatief heeft van zichzelf een neutrale betekenis. Vele talen kennen daarnaast modale partikels. Belangrijker dan de wijs is echter hoe de werkwoordsvormen in zinsverband gebruikt worden. Ten slotte kunnen ook door middel van intonatie (bijvoorbeeld een hoge, lage, harde of zachte spreekstem) allerlei soorten modaliteit worden overgebracht.

Doordat een modaliteit vaak uiterst subtiel in een taaluiting verborgen zit, is ze moeilijk te vertalen. Computervertalingen geven dan ook de modaliteit in de brontaal doorgaans niet adequaat weer in de doeltaal.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties