Non-proliferatieverdrag

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het non-proliferatieverdrag is een verdrag dat het bezit van kernwapens beperkt. Het verdrag is op 1 juli 1968 opgesteld door Ierland en ondertekend en geratificeerd door 189 landen. Vijf landen nemen niet deel aan het verdrag: India, Pakistan, Israël, Noord-Korea en Zuid-Soedan. Het verdrag is gebaseerd op drie pijlers: non-proliferatie, ontwapening en het recht om kernenergie voor vreedzame toepassingen te gebruiken.

Non-proliferatie[bewerken]

Tijdens het opstellen van het verdrag waren er vijf landen met beschikking over kernwapens: de Verenigde Staten, Sovjet-Unie, Verenigd Koninkrijk, China en Frankrijk. In het verdrag is vastgelegd dat het bezit van kernwapens tot deze vijf landen (alle permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties) wordt beperkt en dat zij de benodigde technologie niet aan andere landen zullen overdragen. Tevens zullen zij geen kernwapens inzetten zolang ze niet met kernwapens worden aangevallen. In de loop der tijd zijn de details hiervan gewijzigd en de VS en VK hebben aangegeven kernwapens te kunnen inzetten als zij worden aangevallen met biologische of chemische wapens.

Ontwapening[bewerken]

Het verdrag bepaalt dat de landen die over kernwapens beschikken hun voorraden reduceren.

Vreedzame toepassingen[bewerken]

Om voldoende draagvlak voor het verdrag te creëren, wordt het gebruik van kernenergie voor vreedzame toepassingen expliciet toegestaan, inclusief het verrijken van uranium. Voor enkele ondertekenaars van het verdrag is dat een heikel punt, omdat hiermee de ontwikkeling van kernwapens slechts een kleine stap verwijderd is. De enige barrière hiervoor is politieke wil. De directeur van het Internationaal Atoomenergie Agentschap is van mening dat door deze regeling 40 landen wereldwijd in staat zijn om (al dan niet in het geheim) kernwapens te ontwikkelen. Volgens Mohamed ElBaradei is het enige alternatief hiervoor het volledig uitbannen van de nucleaire brandstofcyclus.

Situatie per land[bewerken]

India en Pakistan[bewerken]

India en Pakistan zijn de enige landen die toegegeven hebben over kernwapens te beschikken zonder het verdrag te hebben getekend. India heeft in 1974 de eerste test uitgevoerd met kernwapens en beschikt in 2002 over vermoedelijk 60 tot 90 kernkoppen. Pakistan voerde de eerste test uit in mei 1998 en schattingen over het aantal kernkoppen lopen van 24 tot 52 stuks.

Iran[bewerken]

Iran is een ondertekenaar van het verdrag. Iran heeft een eigen atoomprogramma, waarin het nucleaire technologie ontwikkelt. De officiële doelen van het programma zijn ter bevordering van de nucleaire geneeskunde en energieopwekking. Iran wordt door het Westen verdacht van het in het geheim ontwikkelen van kernwapens. Het IAEA heeft geconcludeerd dat Iran tot 2003 mogelijk aan een kernwapen heeft gewerkt, maar dat er op dit moment (2012) geen bewijs is dat Iran aan een kernwapen werkt. De Amerikaanse inlichtingendiensten zijn tot een zelfde conclusie gekomen[1]. Tegen het land zijn sancties ingesteld vanwege haar atoomprogramma en Iran verleent niet alle medewerking aan de inspecteurs van het IAEA.

Israël[bewerken]

Israël heeft het NPV niet ondertekend. Hoewel Israël bevestigt noch ontkent in het bezit te zijn van kernwapens, heeft het verklaard over de technologie te beschikken zulke wapens te produceren. De schattingen over de hoeveelheid kernkoppen die het zou bezitten, werden bijgesteld na de openbaarmakingen van Mordechai Vanunu die gedetailleerd vertelde over het geheime kernwapenprogramma van Israël in Dimona.

Noord-Korea[bewerken]

Noord-Korea heeft het verdrag ondertekend, maar zich op 10 januari 2003 teruggetrokken en bekendgemaakt over kernwapens te beschikken. Sinds juli 2005 zijn er besprekingen gaande tussen Noord-Korea, Zuid-Korea, China, Japan, Rusland en de Verenigde Staten over het nucleaire arsenaal van Noord-Korea. Begin augustus 2005 liepen deze besprekingen volledig vast.

Op 9 oktober 2006 voerde Noord-Korea een kernproef uit. Dit bracht wereldwijd veel opschudding teweeg. De VN-Veiligheidsraad kwam nog dezelfde dag in een spoedzitting bijeen en veroordeelde de kernproef.

Op 25 mei 2009 heeft Noord-Korea wederom een onderaardse atoomexplosie uitgevoerd. Deze explosie was velen malen krachtiger dan de explosie in 2006. De meest recente Noord-Koreaanse atoomexplosie vond plaats op 12 februari 2013. Het zou hier gaan om een kleinere versie van de bom met een grotere explosiekracht.

Oekraïne[bewerken]

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kwam een groot deel van het Sovjet-kernwapenarsenaal in Oekraïense handen. In 1996 is dat officieel volledig overgedragen aan Rusland, maar vanwege de chaotische toestanden en de vele fouten die daarbij zijn gemaakt is onduidelijk of er nog kernwapens in Oekraïne aanwezig zijn.

Belangrijke ontwikkelingen[bewerken]

Op 11 mei 1995 werd in New York door 170 landen besloten het verdrag voor onbepaalde tijd en onvoorwaardelijk voort te zetten.

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is de plaats hiervan overgenomen door Rusland.

Op maandag 9 oktober 2006 is bekendgemaakt dat Noord-Korea een atoomproef heeft uitgevoerd. Diverse wetenschappers hebben bevestigd dat er wel degelijk een test werd uitgevoerd. Hiermee gaat het land radicaal in tegen de verzoeken van de VN, en eveneens expliciet tegen de buurlanden en de Verenigde Staten. Het non-proliferatieakkoord werd volgens veel landen met deze gebeurtenis geschonden.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Externe links en referenties[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. (en) US Agencies See No Move by Iran to Build a Bomb, artikel in the New York Times, 24 februari 2012