Passé composé

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De passé composé is een werkwoordsvorm in de Franse taal. Het drukt de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.) uit.

Vorming[bewerken]

Een passé composé wordt gemaakt door een vorm van een hulpwerkwoord met daarachter een voltooid deelwoord. Het hulpwerkwoord is op een aantal uitzonderingen na altijd avoir, dit in tegenstelling tot het Nederlands waar vaak het hulpwerkwoord 'zijn' wordt gebruikt.

Het hulpwerkwoord vervoegt zich naar het onderwerp.

Uitzonderingen[bewerken]

Het hulpwerkwoord is altijd avoir. Er zijn echter twee uitzonderingen:

1) Alle wederkerende werkwoorden worden met être vervoegd.

Voorbeeld: Hij heeft zich geschoren - Il s' est rasé

2) Er is een groep uitzonderingen die ook met être vervoegd worden (het être-huis). Alle werkwoorden in deze groep drukken een beweging uit. Het gaat om de volgende werkwoorden (en werkwoorden met deze werkwoorden als deel daarvan: bijvoorbeeld Prevenir.):

  • aller
  • arriver
  • entrer
  • monter
  • rester
  • descendre
  • partir
  • sortir
  • naître
  • mourir
  • passer
  • tomber
  • venir
  • retourner

Voorbeelden:

  • Ik ben gekomen - Je suis venu
  • Jij bent gegaan - Tu es allé(e)

Zie ook[bewerken]