Pruikentijd
De pruikentijd was een periode in de achttiende eeuw waarin het mode was in de deftige kringen om een pruik te dragen. Zowel mannen als vrouwen kleedden zich zeer opzichtig met veel make-up, maar ook met kleding met kant, gouddraad, gespen en strikken; ook was het dragen van schoeisel met hoge hakken zeer populair.
De vrouwenmode werd gekenmerkt door hoog opgemaakte kapsels, slanke bovenlichamen met een diep decolleté en een hoepelrok (crinoline).
[bewerken] Historisch begrip
Het begrip Pruikentijd werd in Nederland vermoedelijk geïntroduceerd door de negentiende eeuwse criticus Conrad Busken Huet, als vertaling van de Duitse woorden Perückenzeit en Zopfzeit (Zopf=staartpruik). Het stond al snel voor een periode van culturele en economische stagnatie, waarin geteerd werd op de glorie van de Gouden Eeuw.
In discussies over de toekomst van de hedendaagse economie spreekt men soms van een nieuwe Pruikentijd. Men bedoelt dan dat de maatschappij zich niet vernieuwt, maar teert op de opbrengsten van voorgaande generaties.