Restitutie-edict (1629)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Restitutie-edict

Het restitutie-edict dat op 6 maart 1629 werd uitgevaardigd was een poging van keizer Ferdinand II om de godsdienstige en territoriale afspraken van de vrede van Augsburg (1555) te herstellen en de kerkelijke goederen terug te winnen, die door de protestanten tijdens de voorgaande decennia stelselmatig onteigend waren.

Belangrijkste punt in het restitutie-edict was de zogenaamde kerkelijke reservatie, het herstel van het kerkelijk bezit van Bremen en Maagdenburg, van twaalf bisdommen en van meer dan honderd kloosters. Duizenden protestanten dienden hun bezittingen te verlaten en aan de katholieken over te dragen; vervolgens moesten zij hun toevlucht zoeken in de protestantse landen.

Vooral in het noordwesten van Duitsland waren de consequenties van het edict ingrijpend. De invloed van Ferdinand II was er tot dan beperkt geweest. De keizerlijke ambtenaren die uitgezonden werden om de uitvoering van het edict af te dwingen vestigden tevens het keizerlijk gezag in een streek die geprofiteerd had van de zwakheid van het keizerlijk gezag gedurende bijna 100 jaar.

Wallenstein had een leger van 134.000 man verzameld, die bereid waren om voor de keizerlijke zaak te vechten, indien dat nodig mocht blijken.De Duitse vorsten verzamelden zich achter keurvorst Maximiliaan I van Beieren om druk uit te oefenen op Ferdinand. Men wilde dat de keizer Wallenstein aan de kant zette. Gustaaf III van Zweden, die een luthers vorst was, steunde eveneens de protestanten. Zweden was op zijn beurt een bondgenoot van Frankrijk waar Richelieu het bewind voerde, die evenmin op goede voet met de Habsburgers stond.

Ferdinand II wilde de dynastie versterken en wilde zijn zoon Ferdinand III tot rooms-koning laten verkiezen. Om ook een grotere deelname van het keizerrijk in de Europese conflicten te bereiken, riep hij de keurvorsten samen in Regensburg in 1630.

Johan George I van Saksen en George Willem van Brandenburg, allebei protestant, protesteerden tegen het restitutie-edict en bleven afwezig. Zij beseften dat zij weinig te winnen hadden met een deelname aan de oorlog. Maximiliaan I van Beieren verwachtte op zijn beurt de afzetting van Wallenstein te kunnen bewerkstelligen.

Om de stem der keurvorsten te winnen offerde Ferdinand II in augustus 1630 Wallenstein op. Deze moest terugtreden. De afzetting van de belangrijkste militaire leider van dat moment was een belangrijke overwinning voor de keurvorsten; het was een gevoelig verlies voor Ferdinand II. De gebeurtenis werd echter overschaduwd door de ontscheping van Gustaaf Adolf met 4.000 manschappen in Pommeren in juli 1630. Zonder Wallenstein moest Ferdinand II zich nu wenden tot Maximiliaan I van Beieren en de graaf van Tilly.