Rudi Dutschke

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rudi Dutschke

Rudi Dutschke (Schönefeld, 7 maart 1940 - Aarhus, Denemarken, 24 december 1979), 'Roter Rudi', was de bekendste studentenleider van Duitsland uit de jaren 1960. Hij was één van de hoogste leden van de Duitse Socialistische Studentenvereniging.

Privéleven[bewerken]

Dutschke werd geboren in Schönefeld, dat vanaf 1949 in de DDR lag. Na het afronden van het gymnasium weigerde hij dienst in het Oost-Duitse leger. Daardoor werd het hem onmogelijk gemaakt te studeren en hij vluchtte in 1961 naar West-Berlijn, een dag voor de Berlijnse muur werd gebouwd. Hij studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit van Berlijn, bij onder andere Richard Löwenthal en Klaus Meschkat. Hij trouwde in 1966 de Amerikaanse Gretchen Klotz, ze kregen drie kinderen. De jongste, Rudi-Marek, werd geboren in 1980 na de dood van Rudi Dutschke. Hij zou later politicus worden bij de Groenen. De twee oudere kinderen, Hosea-Che en Polly-Nicole, werden geboren in 1968.

Politieke visie[bewerken]

Tijdens zijn studie aan de Universiteit kwam hij in contact met het marxisme. Hij was sterk beïnvloed door onder andere Rosa Luxemburg. Hij werd lid in 1965 van de SDS, de Sozialistische Deutsche Studentenbund. De studentenbeweging groeide in deze periode zeer snel, ze organiseerde onder andere protestmarsen tegen de oorlog in Vietnam. Hij wilde dat de revolutie in de Westerse landen hand in hand zou gaan met de vrijheidsbeweging in de Derde Wereld. Zijn socialisme was sterk doordrongen van zijn christelijke wortels. Hij noemde Christus de "Grootste Revolutionair". Na de moord op Benno Ohnesorg, door de Duitse dubbelagent Karl-Heinz Kurras, werd een deel van de studentenbeweging gewelddadiger. Dutschke pleitte echter voor een "lange mars door de instituten van macht" om zo van binnenuit de overheid en de samenleving radicaal te veranderen. Hiermee koos hij voor een andere koers dan de geweldspiraal van de Rote Armee Fraktion, hoewel hij sympathie had voor hun idealen. Dutschke voegde de daad bij woord en voegde zich bij de nieuwe partij, Die Grünen.

Visie op het terrorisme[bewerken]

Dutschke is een antiautoritair marxist. Hij staat kritisch tegenover het individuele terrorisme gepredikt door verschillende radicale linkse groeperingen, zoals de Tupamaros in Uruguay en door de Rote Armee Fraktion (RAF). “Terreur dwarsboomt het leerproces van de verdrukten”, schreef hij in een brief aan de krant Der Spiegel na de moord op Günter von Drenkmann. In de krant Die Zeit van 16 september 1977 waarschuwde hij tegen de negatieve gevolgen van terrorisme: “Individuele terreur leidt tot despotisme en niet tot socialisme”.

Visie op het parlementair stelsel[bewerken]

In een televisie-interview op 3 december 1967 zei hij: “het huidige parlementair systeem is nutteloos: we hebben in ons parlement geen vertegenwoordigers die de belangen van onze bevolking uitdrukken, de echte belangen van onze bevolking.”

Moordaanslag[bewerken]

Herdenkingsplaquette voor Rudi Dutschke op kruising van Kurfürstendamm en Joachim-Friedrich Straße in Berlin-Wilmersdorf

De uitgeverij ging zelfs zo ver dat in haar dagblad Bild openlijk werd opgeroepen om Dutschke tegen te werken. In de lente 1968 schreef de uitgeverij in een andere krant, de Deutsche Nationalzeitung, een artikel waarin werd opgeroepen tot: "Stoppt Rudi Dutschke jetzt! Sons gibt es Bürgerkrieg". Mogelijk besloot een jonge arbeider, Josef Bachmann uit Berlijn, daardoor op 11 april 1968 Rudi Dutschke neer te schieten. Hij trof Dutschke aan de ingangspoort van de SDS-centrale, vroeg hem of hij Dutschke was. Na bevestiging schoot hij zonder pardon drie kogels door Dutschkes lijf en hoofd. De studentenleider werd in levensgevaar naar het ziekenhuis vervoerd, maar kon overleven. Onmiddellijk na de aanslag werd het uitgeversconcern Axel Springer beschuldigd van het veroorzaken van de aanslag, door de antistudentencampagne die haar bladen voerden. De verspreiding van de bladen werd vervolgens geblokkeerd door studenten. Het leidde in verschillende Duitse steden tot straatgevechten met de politie. Dutschke leed wel lange tijd aan de directe gevolgen van de aanslag en moest maanden rust nemen. Daartoe verbleef hij zowel in Zwitserland, Italië, Groot-Brittannië als in Denemarken. Twaalf jaar na de aanslag zou hij alsnog overlijden aan een aan de aanslag gerelateerd hersenletsel.

Op 3 januari 1980 werd Dutschke plechtig begraven op het Sint-Anna-kerkhof in Berlin-Dahlem in aanwezigheid van ongeveer zesduizend mensen.

Anekdote[bewerken]

De doop van de Rudi-Dutschke-Straße

Op 30 april 2008 werd een deel van de Kochstraße in Berlijn officieel omgedoopt tot Rudi-Dutschke-Straße. Deze beslissing wordt nu nog betwist.[1]

Bibliografie[bewerken]

  • Rudi Dutschke: Jeder hat sein Leben ganz zu leben.Die Tagebücher 1963–1979. Hrsg. v. Gretchen Dutschke. Kiepenheuer & Witsch, Köln 2003, ISBN 3-462-03224-0.
  • Rudi Dutschke: Geschichte ist machbar. Texte über das herrschende Falsche und die Radikalität des Friedens. Hrsg. von Jürgen Miermeister. Klaus Wagenbach, Berlin 1991, ISBN 3-8031-2198-1.
  • Rudi Dutschke: Lieber Genosse Bloch ... Briefe Rudi Dutschkes an Karola und Ernst Bloch. 1968–1979. Hrsg. von Karola Bloch und Welf Schröter. Talheimer Verlag, Mössingen 1988, ISBN 3-89376-001-6.
  • Rudi Dutschke: Aufrecht gehen. Eine fragmentarische Autobiographie. Herausgegeben von Ulf Wolter, eingeleitet von Gretchen Dutschke-Klotz, Bibliographie: Jürgen Miermeister. Olle und Wolter, Berlin 1981, ISBN 3-88395-427-6, Lizenzausgabe Büchergilde Gutenberg, auszugsweise über das „Spiegel“ Archiv erhältlich. Aufrecht gehen zu lernen ist nicht leicht. In: Der Spiegel. Nr. 44, 1981 (online). Schwedische Ausgabe bei Symposion, Stockholm 1983, ISBN 91-7696-025-0.
  • Rudi Dutschke: Mein langer Marsch. Reden, Schriften und Tagebücher aus zwanzig Jahren. Hrsg. von Gretchen Dutschke-Klotz, Helmut Gollwitzer und Jürgen Miermeister. Rowohlt, Reinbek 1980, ISBN 3-499-14718-1
  • Rudi Dutschke: Warum ich Marxist bin – doch Marx sagte: „Ich bin kein Marxist“. In: Fritz Raddatz (Hrsg.), Wolf Biermann (Mitarb.): Warum ich Marxist bin, Kindler, München 1978, S. 95–135, ISBN 3-463-00718-5.
  • Rudi Dutschke: Gekrümmt vor dem Herrn, aufrecht im politischen Klassenkampf: Helmut Gollwitzer und andere Christen. In: Andreas Baudis u. a. (Hrsg.): Richte unsere Füße auf den Weg des Friedens. Für Helmut Gollwitzer zum 70. Geburtstag. Christian Kaiser, München 1978, S. 544–577, ISBN 3-459-01186-6.
  • Rudi Dutschke, Manfred Wilke (Hrsg.):Die Sowjetunion, Solschenizyn und die westliche Linke. Rororo, Band 1875, rororo aktuell. Rowohlt, Reinbek 1975, ISBN 3-499-11875-0.
  • Frank Böckelmann (Hrsg.), Herbert Nagel (Hrsg.): Subversive Aktion. Der Sinn der Organisation ist ihr Scheitern. Neue Kritik, Frankfurt am Main 1976, 2002, ISBN 3-8015-0142-6.
  • Rudi Dutschke: Versuch, Lenin auf die Füße zu stellen. Über den halbasiatischen und den westeuropäischen Weg zum Sozialismus. Lenin, Lukács und die Dritte Internationale. Politik, Band 53. Klaus Wagenbach, Berlin 1974, ISBN 3-8031-1053-X. Ausgabe 1984: ISBN 3-8031-3518-4. (Dissertation unter dem Titel: Rudi Dutschke: Versuch, Lenin auf die Füße zu stellen. Über den Unterschied halbasiatischen und des westeuropäischen Weges zum Sozialismus. Freie Universität Berlin, Berlin 1974. [145]
  • Rudi Dutschke: Zur Literatur des revolutionären Sozialismus von K. Marx bis in die Gegenwart. sds-korrespondenz sondernummer. Berlin 1966, Paco Press, Amsterdam 1970 (diverse Reprints), ISBN 3-929008-93-9.
  • Uwe Bergmann, Rudi Dutschke, Wolfgang Lefèvre, Bernd Rabehl: Rebellion der Studenten oder Die neue Opposition. Eine Analyse. Rororo-Taschenbuch, Band 1043, rororo-aktuell. Rowohlt, Reinbek bei Hamburg 1968.
  • Rudi Dutschke: Wider die Päpste. Über die Schwierigkeiten, das Buch von Bahro zu diskutieren. Ein offener Brief an den Stasi Chef. In: Ulf Wolter (Hrsg.): Antworten auf Bahros Herausforderung des „realen Sozialismus“. Olle & Wolter, Berlin 1978, ISBN 3-921241-51-0.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. “Kreuzberg bekommt endgültig Dutschke)Strasse”, Berliner Zeitung, 22 april 2008.