Slag bij Towton

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag bij Towton
Onderdeel van de Rozenoorlogen
Roses-York victory.svg
Datum 29 maart, 1461
Locatie Towton, Yorkshire, Engeland
Resultaat Beslissende overwinning voor het huis York
Strijdende partijen
Yorkshire rose.svgHuis York Lancashire rose.svgHuis Lancaster
Commandanten
Eduard IV van Engeland Hendrik Beaufort, 3e graaf van Somerset
Troepensterkte
20.000-36.000 man 25.000-42.000 man
Verliezen
5000-12.000 man 8000-20.000 man
Eerste manouvres.

De Slag bij Towton was een veldslag tijdens de Rozenoorlogen, een dynastieke burgeroorlog tussen het huis York en het huis Lancaster om de Engelse troon. De slag werd uitgevochten op Palmzondag 29 maart 1461, op een winterse dag. De slag vond plaats op een plateau tussen de dorpen Towton en Saxton in Yorkshire. Het eindresultaat was een verpletterende overwinning voor het huis York. De troepen van het huis Lancaster werden weggevaagd en de legermacht desïntegreerde als gevechtbekwame troepenmacht.

De slag staat bekend als de grootste en bloedigste slag die ooit op Britse bodem werd uitgevochten. Het aantal soldaten op het slagveld wordt geschat op tussen 50.000 en 80.000. 28 hoge edelen, de helft van de hoge adel, waren aanwezig op het slagveld. De troepencijfers die het meest genoemd worden zijn 36.000 Yorkisten en 42.000 Lancastrianen. Alle schatting zijn het erover eens dat de Lancastrianen met een grotere troepenmacht ter plaatse waren. Over het aantal verliezen bestaat nog altijd discussie, want een exacte schatting is lastig, al wordt een getal van 28.000 doden vaak genoemd. Dit komt overeen met ongeveer 1 procent van de Engelse bevolking in 1461.

Achtergrond[bewerken]

De Rozenoorlogen begonnen in 1455 toen Richard, 3e hertog van York, een grotere rol voor zichzelf opeiste in het bestuur van Engeland. Hij werd hierbij geholpen door de Engelse nederlaag in de Honderdjarige Oorlog en de opspelende krankzinnigheid van koning Hendrik VI. Omdat hij een nazaat was van Lionel van Antwerpen, de 2e zoon van Eduard III was York een potentiële pretendent voor de Engelse troon. De echtgenote van koning Hendrik, Margaretha van Anjou, zag Yorks ambities als opmaat voor een aanspraak op de Engelse troon ten koste van haar eigen zoon Eduard en poogde hem gewapenderhand van het landsbestuur af te houden.

Richard van York werd eerst regent (Lord Protector) maar na jaren van strijd waarin nederlagen en overwinningen elkaar opvolgden maakte Richard in 1459 formeel aanspraak op de Engelse troon. Na een overwinning bij Northampton werd Richards leger echter bij Wakefield in de pan gehakt.

Margaretha van Anjou probeerde op te rukken naar Londen maar werd bij St Albans tegengehouden door Richard Neville, de 16e graaf van Warwick. Margaretha won de daaropvolgende veldslag en bevrijdde haar echtgenoot uit Yorkistische gevangenschap. De stadsbevolking van Londen sloot echter de poorten voor haar plunderende troepen, waardoor ze de heerschappij van haar echtgenoot niet kon legitimeren. Ondertussen had Eduard, Earl of March en zoon van Richard van York bij Wigmore de Slag van het Mortimerkruis gewonnen op de Lancastrianen en zichzelf uitgeroepen tot koning Eduard IV van Engeland. Hierna rukte hij op naar Yorkshire, waarheen Margaretha van Anjou zich had teruggetrokken.

De slag[bewerken]

Op 28 maart had Warwick een mislukte poging gedaan om bij Ferrybridge de rivier de Aire over te steken (zie Slag bij Ferrybridge), maar desondanks was de Yorkistische cavalerie er toch in geslaagd, van de Lancastriaanse commandant Clifford te doden.

De volgende dag rukten de Yorkisten onder leiding van Eduard weer op naar de vernielde brug bij Ferrybridge. Eduard leidde de linkerflank van het leger, Warwick het centrum en Lord Fauconberg de rechterflank en de voorhoede. Een Yorkistische contingent uit East Anglia onder bevel van de hertog van Norfolk was nog onderweg naar het slagveld.

Het Lancastriaanse leger was opgesteld op het plateau, waarmee het een tactisch voordeel verkreeg, omdat de Yorkisten heuvelop moesten vechten. Het centrum stond onder bevel van Hendrik Beaufort, de 3e graaf van Somerset, de rechterflank onder bevel van de graaf van Northumberland en de linkerflank onder bevel van de graaf van Exeter.

De Yorkisten hadden de wind in de rug, waardoor de sneeuw in de ogen van de Lancastrianen blies en het bereik van de boogschutters enorm werd beperkt. De boogschutters van de Yorkisten schoten salvo's af op de verzamelde Lancastrianen alvorens buiten bereik van de Lancastriaanse boogschutters terug te trekken. Soldaten in de Lancastriaanse linies rukten op om man-tegen-mangevechten te beginnen, maar hiermee offerden zij het voordeel van de hoge grond op.

De daaropvolgende melee was hevig en er moesten regelmatig pauzes worden ingelast om de hoge stapels lijken tussen de beide linies weg te slepen. Gedurende enkele uren woedde het gevecht op en neer zonder dat enige partij een duidelijk voordeel had. Maar vroeg in de middag bereikte de hertog van Norfolk het slagveld en verlengde de rechterflank van de Yorkisten, waardoor de Lancastrianen geflankeerd konden worden. De linkerflank van de Lancastrianen stortte in en sloeg op de vlucht, richting Tadcaster. De rest van de troepen werd langzaam de rivier in gedreven.

Nasleep[bewerken]

Er wordt aangenomen dat er meer mannen stierven tijdens de vlucht dan tijdens de slag zelf. De vluchtende Lancastrianen waren geen partij voor de Yorkistische cavalerie. Velen hadden ook hun harnas verwijderd om beter te kunnen ademen, waardoor zij extra kwetsbaar waren. Naar verluidt was de grond tussen Towton en Tadcaster bezaaid met lijken.

De meeste Lancastriaanse edelen waren nu gedwongen om vrede te sluiten met Eduard, terwijl koning Hendrik, Margaretha van Anjou en Somerset ontkwamen door naar Schotland uit te wijken.