Taíno (volk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een nagebouwd Taínodorp op Cuba
Een Taínobankje

De Taíno vormden een indianenvolk dat leefde in gebieden rond de Caribische Zee, op de eilanden Hispaniola, Bahama's, Cuba, Jamaica, Puerto Rico, de Turks- en Caicoseilanden en de noordelijke Kleine Antillen.

Zij waren verwant aan de Arawakken of waren een subgroep van dat volk. De Taíno zijn vooral bekend omdat het de eerste Indianen waren die Christoffel Columbus in 1492 aantrof. Schattingen van het aantal Taíno dat in 1492 leefde lopen uiteen van enkele honderdduizenden tot acht miljoen. De Taíno waren tegen het eind van de 16e eeuw als apart volk uitgestorven, onder andere door ziekten die de kolonisten uit Europa met zich meenamen. Wel stammen veel inwoners van het gebied van de Taíno af; DNA-onderzoek in Puerto Rico[1] heeft uitgewezen dat 61% van de bevolking Taíno-voorouders heeft.

Welzijn[bewerken]

Pater Bartolomé de Las Casas, die zich inzette voor het welzijn van de indianen, klaagde over de grote sterfte onder de oorspronkelijke bevolking. Vooral de Lucaya (Bahamaanse) Taíno, die zeeschildpadden vingen voor voedsel, en door de Spanjaarden als schelp- en parelduikersslaaf werden gebruikt, hadden het zwaar. De Caribische parelhandel was vooral voor de Europese royalty interessant. Een van de grootste en meest beroemde parels van de wereld, "La Peregrina" (de Pelgrim ook de Wees genoemd), werd gevonden door een Caribische parelduikersslaaf voor de kust van Santa Margarita in de golf van Panama[2].

Geschiedenis leeft nog[bewerken]

Hoewel het Taíno-volk is uitgestorven zijn er veel woorden uit de Taínotaal die nu nog gebruikt worden zoals: orkaan, kano, barbecue, hangmat, tabak, kannibaal, barracuda, mais en savanne. Ook namen voor voedsel zoals graan (Zea mais), ananas (piña), pinda, aardappel (papa), zoete aardappel (bataat), yuca (de basis van tapioca), meelproducten (farina, cassava), sarsaparilla vonden hun weg in de wereldtalen.

Onderzoek[bewerken]

De laatste jaren wordt er veel onderzoek gedaan naar het ontstaan en het leven van het Taínovolk. Er zijn op verschillende plaatsen grotten en ondergrondse meren gevonden met muurschilderingen en artefacten. Honderden artefacten zijn ondergebracht in onderzoekcentra en musea. Grotendeels dankzij twee opmerkelijke opgravingen, uitgevoerd rond 2010, zijn archeologen enorm verrijkt in hun kennis van de complexe samenleving van de Taíno en de verfijning van hun artefacten.

De eerste ontdekking, een Taíno-dorp aan de noordelijke kust van Cuba nu bekend als Los Buchillones, dat beschermd werd door een kleilaag op de bodem van een ondiepe lagune is op 17 juni 2011 tot Nationaal Monument uitgeroepen[3]. Los Buchillones is een nederzetting uit de late keramische tijd van landbouwers en is opgegraven door David Pendergast, Elizabeth Graham en Jago Cooper in samenwerking met Cubaanse collega's[4]. Men heeft daar maar liefst 40 structuren[5], waarschijnlijk een combinatie van gemeenschappelijke gebouwen, bijgebouwen en eengezinswoningen, gevonden. Het Castillo de la Real Fuerza Museum in Havana heeft deze eerste vondsten tot 1 maart 2012 tentoon gesteld.

Diep in de bossen van de Dominicaanse Republiek, op een locatie bekend als La Aleta[6], heeft een Amerikaanse Dominicaanse team misschien een nog belangrijker ontdekking gedaan:[7] een 70 meter diep ondergronds meer, waarin honderden voorwerpen lagen, beschermd door het zuurstofarme water. Voorlopige verkenningen van het omringende bos suggereren dat het mogelijk een onderdeel was van een ceremonieel centrum dat zich over ten minste 10 hectare uitstrekt.


Bronnen
en:wiki/Taino people
Estudios Sociales 7 año 1990

Noten