Tijmbremraap
| Tijmbremraap | |||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | |||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| Soort | |||||||||||||||||||
| Orobanche alba Stephan ex. Willd. |
|||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
De tijmbremraap (Orobanche alba) is een plant, die behoort tot de bremraapfamilie (Orobanche alba). Omdat de plant geen chlorofyl bezit, is deze voor hun voedingsstoffen geheel afhankelijk van andere planten. De tijmbremraap parasiteert voornamelijk op Thymus polytrichus, maar kan ook op andere planten uit de lipbloemenfamilie (Lamiaceae) voorkomen. De plant komt van nature voor in Europa en verder tot Zuidwest-Azië.
De plant wordt 8-30 cm hoog en heeft schubvormige bladeren.
De tijmbremraap bloeit in juni en juli met rode, geel- of witachtige, naar kruidnagel geurende bloemen. Op de bloemkroon zitten klierharen en de helmdraden zijn aan de voet behaard.
De vrucht is een doosvrucht met zeer veel kleine zaden. De zaden zenden bij het ontkiemen een wortelachtige uitloper de grond in totdat deze contact maakt met de wortel van de gastheer. Wanneer hij zich hieraan vastmaakt, berooft hij de gastheer van water en voedingsstoffen. Het ontkiemen van de zaden wordt op gang gebracht door stoffen die de wortel van de gastheer in de grond verspreidt: ontbreken deze, dan kan het zaad verscheidene jaren haar kiemkracht behouden.
De plant komt voor op kalkhoudende grond.
[bewerken] Namen in andere talen
- Duits: Quendel-Sommerwurz
- Engels: Thyme Broomrape
- Frans: Orobanche du thym, orobanche blanche