Vieille-Montagne
De Société des Mines et Fonderies de Zinc de la Vieille-Montagne, kortweg de Vieille-Montagne was een maatschappij die zinkmijnen exploiteerde en zinksmelters bezat. De maatschappij, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1806, heeft onder deze naam bestaan van 1836- 1989. De zetel ervan was gevestigd in Angleur.
Geschiedenis [bewerken]
Vieille-Montagne is de naam van een voormalige zinkmijn in de plaats Kelmis (La Calamine) in het huidige België, die was gelegen tussen Luik en Aken. Vieille-Montagne is Frans voor "de oude berg" en dit komt ook tot uitdrukking in de Duitse naam, Altenberg. In 1806 verwierf de Luikse chemicus Jean-Jacques Dony een concessie voor 50 jaar voor deze mijn. Dony had een fabricageproces voor zink uitgevonden en demonstreerde de toepassing van zink, dat goed te vormen was, corrosiebestendig, in platen was te pletten, en dat betrekkelijk goedkoop was. In 1811 liet hij, om de gunstige eigenschappen van het metaal te demonstreren, het dak van de Sint-Bartolomeüskerk te Luik van zink voorzien, wat een primeur voor België was. Ondanks de successen raakte Dony in financiële moeilijkheden en in 1818 gaf hij de onderneming in handen van een compagnon, François-Dominique Mosselman. De eerste zinkfabriek werd in 1809 opgericht in de Luikse wijk Saint-Léonard.
Op val van Napoleon volgde het Congres van Wenen dat bepaalde dat, gezien het rijke zinkvoorkomen en het omstreden territorium, een miniatuurstaatje, Neutraal Moresnet geheten, zou worden gevormd. Dit heeft bestaan van 1816-1919, waarna het bij België werd gevoegd. De mijn van Vieille-Montagne was overigens in 1885 uitgeput. Overblijfselen van de mijn zijn nog in het landschap te vinden.
In 1835 werd door Mosselman begonnen met de bouw van een zinksmelter en kantoren te Angleur. Omstreeks dezelfde tijd werd te Tilff een zinkpletterij gestart. De zinkmaatschappij met de naam Vieille-Montagne werd toen feitelijk opgericht. Het was de enige zinkproducent in het toen reeds bestaande België en de jaarlijkse productie bedroeg 1.833 ton.
Vooral na 1846 groeide het bedrijf sterk. In 1845 bedroeg deze 5.941 ton en in 1855 al 18.000 ton. In 1912 werd een jaarproductie van 40.000 ton bereikt.
In 1846 fuseerde men met de Houillière Valentin et Cocq réunis, en opende een zinksmelter te Hollogne-aux-Pierres. Deze heeft bestaan tot 1982. Vanaf 1872 ging Valentin et Coq vooral zinkwit produceren. Ondertussen kwamen er concurrerende zinkbedrijven, zoals te Corphalie, de Nouvelle-Montagne te Engis en de Grande-Montagne te Flône. De laatste werd in 1852 overgenomen door de Vieille-Montagne.
In 1857 startte men met de exploitatie van de Zweedse mijn Zinkgruvan nabij de havenstad Åmmeberg, en deze werd tot 2004 geëxploiteerd, waarna ze verkocht werd aan de Lundin Mining Corporation. In 1889 werd de zinkfabriek te Balen geopend, om het Zweedse erts te verwerken. Naast zink werden hier ook andere metalen geproduceerd, zoals lood en zilver.
Overigens bezat Vieille-Montagne ook mijnen en fabrieken in Frankrijk, Sardinië en elders.
Einde van het bedrijf [bewerken]
In 1989 werden de fabrieken van Vieille Montagne samengevoegd met die van Union Minière en ontstond de NV Acec–Union Minière, een naam die in 1992 werd veranderd in Union Minière. In 2002 werd dit Umicore en in 2007 stootte Umicore haar zinksmelters af, en deze gingen op in Nyrstar.