Visstaartjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Visstaartjes
Zilveren groenuil
Zilveren groenuil
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Lepidoptera (Vlinders)
Familie
Nolidae
Afbeeldingen Visstaartjes op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Visstaartjes op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

De visstaartjes (Nolidae) zijn een familie van nachtvlinders. Er zijn 1400 soorten bekend. Hun Nederlandse naam dankt deze familie aan de naschuivers (achterste potenpaar) van de rupsen, die wel wat op staartjes van vissen lijken.

Visstaartjes zijn meestal kleine vlinders, met een weinig opvallend kleurenpatroon. Ook de rupsen zijn weinig opvallend gekleurd. Het is een zeer diverse familie die weer uit drie onderfamilies bestaat, die vaak in andere families worden geplaatst. Zo worden alle soorten regelmatig ingedeeld bij de uilen (Noctuidae) en de onderfamilie van de eigenlijke visstaartjes ook wel bij de beervlinders (nu Arctiinae). Het laatste dergelijke voorstel had te maken met een grote herschikking van de superfamilie Noctuidea in 2006, waarin de visstaartjes van een familie werden omgevormd tot een onderfamilie van de uilen (Noctuidae), teneinde te komen tot een monofyletische familie.[1] Een ander voorstel, waarin de visstaartjes een eigen familie blijven, lijkt echter bredere steun te krijgen.

De visstaartjes (Nolinae) zijn kleine, driehoekige en overwegend lichtgekleurde vlindertjes. De Sarrothripinae bestaat uit twee platte, op bladrollertjes (Tortricidae) lijkende soorten, waaronder de Variabele eikenuil. De laatste groep, de groenuilen (Chloephorinae) lijken, zoals de naam al aangeeft, sterk op uilen. In het totaal zijn er dertien soorten in Nederland en België.

Soorten[bewerken]

Op wikipedia beschreven soorten:

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Lafontaine, J.D. & Fibiger, M. (2006) "Revised higher classification of the Noctuoidea (Lepidoptera)" Canadian entomologist vol. 138 pp. 610-635. DOI:10.4039/n06-012