Winter van 1946-1947

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vrouwen verslepen brandstof in het naoorlogse Duitsland

De winter van 1946-1947 was de koudste winter in Nederland en België sinds de revolutiewinter van 1789. De winter behaalde 342,8 Hellmann-punten, 5,6 punten meer dan de bekende winter van '63.

De inval van de winter vond plaats in december 1946. De winter bestond eigenlijk uit een zeer lange vorstperiode van half december tot begin maart, onderbroken door twee perioden van dooi: de eerste tussen 25 december en 4 januari, de tweede tussen 8 en 21 januari. In de tweede dooiperiode werd het behoorlijk warm, op 16 januari 1947 werd het in Maastricht ruim 17 graden. Maar de vorst in de perioden daartussen was zeer streng. Het venijn van de winter zat vooral in de staart. Vanaf eind januari tot half maart vroor het hard. Zo werden te Eelde tussen 22 januari en 24 februari maar liefst 34 ijsdagen in een onafgebroken reeks geregistreerd. In de Bilt waren dat er 21 tussen 4 en 24 februari. In totaal telde De Bilt die winter 46 ijsdagen in drie maanden. Na enkele keren te zijn verzet werd op 9 februari de negende elfstedentocht verreden. Tot viermaal toe werd door het bestuur een datum vastgesteld, maar door plots invallende dooi werd de tocht keer op keer uitgesteld. Pas bij de vijfde datum kon de tocht doorgang vinden.

Eind februari en begin maart viel er veel sneeuw, die door de harde wind tot sneeuwduinen werd opgehoopt. Het wegverkeer werd hierdoor ontwricht en vooral in het noorden en oosten van Nederland raakten enkele dorpen dagenlang geïsoleerd. Tussen Alkmaar en Hoorn sneeuwde zelfs een hele trein in.

Ook de rivieren en het IJsselmeer waren al vanaf half januari dichtgevroren en de binnenscheepvaart kwam wekenlang stil te liggen. Langs de kust lagen eindeloze ijsvlakten en op 23 februari werden er op de Waddenzee ijsbergen gezien van circa zes meter hoog. In heel Europa was het ongewoon koud. In Berlijn vroor het 32 graden. Engeland meldde de koudste winter sinds 1894. Door al het ongerief werd reikhalzend uitgezien naar het eind van de winter. Maar toen eindelijk, halverwege maart de dooi inviel gaf dat weer nieuwe ellende: door alle sneeuw die steeds maar was blijven liggen kwam zoveel smeltwater vrij dat de Achterhoek en de Betuwe last kregen van overstromingen.

Een gevolg van de strenge winter was dat in heel Europa de kolenvoorziening vastliep. Op een zeker moment zaten alleen in Nederland al 500 vrachtschepen met kolen vast. In Duitsland moest driekwart van de industrie tijdelijk dicht. De Limburgse mijnwerkers werden opgeroepen om op zondag 2 februari vrijwillig een extra dag te werken, de bisschop van Roermond gaf dispensatie voor deze zondagsarbeid. Bovendien werden militairen ingezet in de mijnen.

Trivia[bewerken]

  • Na de extreem koude winter volgde overigens een extreem warme zomer.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]