Zaibatsu

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een zaibatsu (財閥) is de Japanse term voor een groep van bedrijven met verschillende specialisaties, in het exclusief bezit van één familie. Het verschil met de naoorlogse keiretsu ligt in het eigenaarschap. Dit is niet meer in de handen van een familie, maar wordt geregeld door het principe van “mutual shareholding”, waardoor de verschillende bedrijven in een groep elkaars aandelen beheren via kruisparticipaties.

Voorgeschiedenis[bewerken]

De Edo-periode[bewerken]

De oorsprong van de vier grootste vooroorlogse zaibatsu ligt in de 16e eeuw voor Sumitomo, de 17e eeuw voor Mitsui, de 18e eeuw voor Yasuda, en de 19de eeuw voor Mitsubishi. Tijdens de Edo-periode werden ze al gesteund door de overheid. Zo werden Yasuda en Mitsui officieel verantwoordelijk voor het omwisselen van de in rijst geïnde belastingen in geld. Mitsubishi haalde dan weer zijn voordeel uit overheidscontracten inzake transport, voornamelijk van rijst, maar ook van troepen naar het einde van de Edo-periode. Sumitomo tenslotte, bezat 25% van de licenties die het Bakufu verstrekte voor koperwinning, en kon hierdoor als leider op die markt worden beschouwd.

De Meiji-restauratie[bewerken]

Na de Meiji-omwenteling gingen de verschillende zaibatsu zich ook concentreren in andere sectoren. Mitsui en Yasuda concentreerden hun aandacht vooral op het bank –en verzekeringswezen, zo was Mitsui bijvoorbeeld een van de sterke spelers in de oprichting van de Daiichi Kokuritsu Bank. Mitsubishi steunde dan weer verschillende overheidsprojecten zoals de aanleg van het spoorwegennetwerk en legde zich ook toe op de scheepsbouw. Sumitomo raakte in moeilijkheden toen de Meiji-regering haar subsidies introk maar kwam er dankzij de inspanningen van Hirose Giemon, een van de zaakvoerders, weer bovenop en legde zich vanaf dat moment toe op transport en warenhuizen.

De Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog konden de zaibatsu-banken hun positie versterken door de Trust Banking Act (1922), die het aantal trust banken sterk reduceerde. De zaibatsu konden hierdoor verschillende bedrijven overnemen, die door de economische malaise sterk waren verzwakt. Na de Crash van Wall Street (1929) kregen de "oude" zaibatsu, vooral Mitsui, zware kritiek te verduren vanuit de antikapitalistische hoek, wat leidde tot de Zaibatsu no Tenkou (Zaibatsu-hervormingen). De zaibatsu konden het protest bedaren door een deel van hun aandelen publiek te verkopen, en door aan liefdadigheid te doen. Rond deze tijd maakten ook “nieuwe” zaibatsu zoals Nissan en Nitchitsu hun opgang, en begon het leger aan invloed te winnen binnen de bedrijven, maar het bleef wel wantrouwig tegenover de financiële macht van de bedrijven.

De Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de jaren ’30 waren de zaibatsu zich vooral gaan toeleggen op zware industrie (scheepsbouw, vliegtuigbouw, mijnbouw,…). Vanaf 1937 werden deze sectoren zwaar belast door de oorlog en werden de zaibatsu gedwongen om kapitaal van buitenaf aan te trekken, en het exclusieve familie-eigenaarschap op te geven. Ze hadden geen andere keuze dan zich om te vormen tot joint-stock ondernemingen, en een groot deel van hun aandelen publiek te verkopen.

De Ontbinding van de Zaibatsu[bewerken]

Het Beleid van de geallieerden[bewerken]

Na de oorlog zag de Supreme Commander of the Allied Powers (SCAP), Douglas MacArthur de zaibatsu als de grootste economische steun aan het Japanse leger, en hij maakte van de zaibatsu-ontbinding een van zijn prioriteiten in zijn pogingen om het land te demilitariseren en te democratiseren. Het naoorlogse economische beleid kwam neer op:

Aanhalingsteken openen

Encouragement shall be given and favour shown to the development of organizations in labour, industry and agriculture, organized on a democratic basis. Policies shall be favoured which permit a wide distribution of income and of ownership of the means of production and trade. Those forms of economic activity, organization and leadership shall be favoured that are deemed likely to strengthen the peaceful disposition of the Japanese People, and to make it difficult to command or direct economic activity in support of military ends. To this end it shall be the policy of the Supreme Commander:

  • To prohibit the retention in or selection for places of importance in the economic field of individuals who do not direct future Japanese economic effort solely towards peaceful ends
  • To favour a program for the dissolution of the large industrial and banking combinations which have exercised control of a great part of Japan’s trade and industry.

— United States President’s Directive, September 9, 1945
Aanhalingsteken sluiten

Hoe moesten deze economische hervormingen worden doorgevoerd?

  • De ontbinding van zaibatsu en andere combinaties van bedrijven (kartels, holdings, ... ).
  • Schrappen van maatregelen die private monopolies promoten.
  • Oprichting van een vrije markt.

De Uitvoering[bewerken]

De eerste stap hiertoe werd gezet door het bevriezen van het kapitaal van 18 zaibatsu-groepen (1946). Vervolgens werden 83 bedrijven, waaronder Mitsui Honsha, Mitsubishi Honsha en Yasuda Hozensha gedwongen om hun aandelen over te dragen aan de Holding Company Liquidation Commission (HCLC), waarna 42 van deze bedrijven werden ontbonden. 56 bestuurders van 10 zaibatsu-families, onder andere van Mitsui, Sumitomo en Yasuda werden gedwongen hun aandelen over te dragen aan de HCLC, en ze kregen door de Act for Termination of Family Control (1948) het verbod opgelegd om nog langer in zaibatsu-gerelateerde ondernemingen te zetelen. De HCLC ging over tot de publieke verkoop van de in beslag genomen aandelen, waardoor het familiale eigenaarschap, een van de hoofdkenmerken van de zaibatsu nu definitief verdween. De bestuurders werden hiervoor gecompenseerd met staatsbonnen, maar door de naoorlogse inflatie was de waarde van deze bonnen sterk gedaald.

Dit ontbindingsprogramma was vooral gericht tegen Mitsui Bussan en Mitsubishi Trading Company. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de centrale rol die ze in hun zaibatsu hadden gespeeld, hun sterke positie op de wereldmarkt die zou hebben bijgedragen aan de Japanse militaire uitbreiding, maar ook omdat ze de maatregelen van de geallieerden probeerden te ontwijken, waardoor SCAP deze bedrijven als voorbeeld wilde stellen. De bedrijven werden ontbonden in 200 kleinere ondernemingen, en hun managers werden verboden om nieuwe ondernemingen op te richten, of om samen voor hetzelfde bedrijf te gaan werken. De zaibatsu-banken werden echter niet ontbonden.

In juli 1947 werd, onder toezicht van de geallieerden, de "Act Concerning Prohibition of Private Monopoly and Maintenance of Fair Trade" opgesteld, gebaseerd op het Amerikaanse systeem (voornamelijk de Sherman Act en de Clayton Act). Het doel hiervan was het promoten van de vrije markt, ondernemersinitiatieven stimuleren, en de ontwikkeling van de nationale economie in het belang van de consumenten bevorderen. De voornaamste bepalingen van de nieuwe wet waren:

  • verbod op privé-monopolisering
  • verbod op het onredelijk belemmeren van handel
  • verbod op unfaire concurrentiemethodes
  • toestemming was vereist voor overnames, fusies, en grote internationale contracten

Een belangrijke uitzondering hierop waren echter spoorwegmaatschappijen, elektriciteitsmaatschappijen en natuurlijke monopolies. Als controleorgaan werd de Fair Trade Commission aangesteld (FTC), die onafhankelijk van de regering zijn gezag en controle kon uitoefenen.

Een belangrijke opmerking die hierbij gemaakt moet worden is dat deze toch wel plotse ontbinding kansen creëerde voor nieuwe ondernemingen. Enkele voorbeelden van zulke bedrijven die nu grote spelers zijn op de internationale markt zijn Sony, Panasonic en Honda.

Versoepeling van de antimonopolie wet[bewerken]

Het verbod voor de zaibatsu-managers om nieuwe ondernemingen op te richten of om de naam van hun zaibatsu te begrijpen werd al vanaf het begin verwaarloosd. Verschillende ex-mangers stapten gewoon over naar andere ex-zaibatsu-bedrijven, of startten enkele jaren later een nieuw bedrijf onder de oude naam op.

Toen de Verenigde Staten vanaf 1948 hun beleid ten opzichte van Japan begonnen te veranderen om de economische heropbouw van het land te bespoedigen, konden er ook wijzigingen in bovenstaande wet worden aangebracht:

  • 1949: bedrijven kregen toestemming om aandelen in andere ondernemingen te kopen, zolang dit de concurrentie niet belemmerde. Het goedkeuringssysteem inzake fusies en internationale contracten werd versoepeld.
  • 1953: Onder invloed van de West-Duitse Bill Against Restraint of Competition, begon de industrie te lobbyen voor een verdere versoepeling van de Antimonopolie wet, die het toestond om in tijden van depressie bepaalde kartels toe te staan. Hierdoor werden veel van de preventieve maatregelen wat betrof restrictieve handelsactiviteiten uit de wet gehaald. De FTC trad ook minder streng op in gevallen van overtredingen.

Keiretsu[bewerken]

Keiretsu zijn de grote industriële conglomeraten die als de voortzetting worden beschouwd van de vooroorlogse zaibatsu. Maar er is een duidelijk en belangrijk verschil: waar de zaibatsu aanvankelijk exclusief eigendom waren van één familie, is het middelpunt van een keiretsu de bank, die tegelijkertijd aandeelhouder en kredietverlener is. De bedrijven in een keiretsu zijn onderling via kruisparticipaties met elkaar verbonden, om vijandelijke overnames van buitenaf te vermijden. Deze structuur maakte het in het begin mogelijk om voor nieuwe investeringen onmiddellijk de noodzakelijke middelen vrij te maken, zonder dat die direct hoefden te renderen.

Maar na het uiteenspatten van de zeepbeleconomie veranderden de banken niet van beleid, en bleven ze investeren in de vaak onrendabele bedrijven. Het probleem was dat de leningen werden toegekend op basis van het geboden onderpand, en niet op basis van het verwachte rendement. Als aandeelhouder van de keiretsu hadden ze vaak geen andere keuze dan de noodlijdende bedrijven te blijven steunen, iets wat zeker heeft bijgedragen tot de enorme bankcrisis van de laatste jaren.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Vande Walle, Willy en Coppens, Hans. Geschiedenis van het Moderne Japan Versie 2.2. Cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Moderne Geschiedenis van Japan'. Ku Leuven. Faculteit Letteren, Departement Oosterse en Slavische Studies, Afdeling Japanologie. 2003.
  • Vanoverbeke, Dimitri en Adriaensens, Edward. Op Zoek Naar Het Nieuwe Japan: De Japanse Politiek Na 1945. Globe, 2004.
  • Morikawa, Hidemasa. Zaibatsu: The Rise And Fall Of Family Enterprise Groups In Japan. University Of Tokyo Press, 1992.
  • Matsusita, Mitsuo. International Trade And Competition Law In Japan. Oxford University Press, 1993.
  • Iyori, Hiroshi and Uesugi, Akinori. The Antimonopoly Laws Of Japan. 1983
Bronnen, noten en/of referenties