Ambtseed

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Barack Obama legt ambtseed af als de 44ste president op 20 januari 2009
Ueli Maurer legt ambtseed af

Een ambtseed is een eed die iemand aflegt die een openbaar ambt gaat bekleden. In de tekst van de eed wordt vaak gerefereerd aan trouw aan de grondwet en/of het staatshoofd van een land.

België[bewerken]

In België wordt de ambtseed nog afgelegd overeenkomstig de formule die vastgelegd werd op 19 juli 1831, en die luidt:

Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk.[1]

Volgens de Grondwet is het inderdaad de Koning die de ambtenaren van het 'algemeen bestuur' benoemt, wat dus wil zeggen de ambtenaren die zich bevinden in het hoogste niveau van de federale overheidsdiensten.

Deze eed is echter niet meer aangepast aan de federale staatsordening in België. Ook de ambtenaren van de deelstaten, dit wil zeggen van de Gemeenschappen en Gewesten, leggen nog deze eed af, alhoewel er geen band meer bestaat tussen deze ambtenaren en de Koning. Zij worden immers niet meer benoemd door de Koning.

Nederland[bewerken]

In Nederland wordt de ambtseed door Koning of Koningin na aanvaarding van het ambt afgelegd in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal in de hoofdstad Amsterdam, zoals beschreven in artikel 32 van de Nederlandse grondwet. De koninklijke eed luidt als volgt:

Ik zweer (beloof) aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van het Koninkrijk met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten Mij ter beschikking stellen, zoals een goed en getrouw Koning schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!
(Dat beloof Ik!)[2]

Ambtenaren leggen na aanvaarding van hun ambt de volgende ambtseed of -belofte af:

Ik zweer/verklaar, dat ik voor het verkrijgen van deze dienstbetrekking aan niemand iets heb gegeven of beloofd noch zal geven of beloven.
Ik zweer/beloof, dat ik van niemand enige belofte, gunst of geschenk zal aannemen om in mijn dienstbetrekking iets te doen of na te laten.
Ik zweer/beloof, dat ik mijn plicht nauwgezet en ijverig zal vervullen en de mij verstrekte opdrachten naar beste vermogen zal volbrengen.
Ik zweer/beloof, dat ik zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen, dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
“Zo waarlijk helpe mij God almachtig” of “Dat verklaar en beloof ik”

Het eerste deel hiervan is de zuiveringseed, waarin de functionaris zweert of verklaart dat hij/zij geen gunsten of geschenken heeft gegeven of beloofd om deze betrekking te verkrijgen.

Rechterlijke ambtenaren hebben een eigen ambtseed, welke is vastgelegd in de Tweede Bijlage van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren:[3]

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.
Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn ambt de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.
Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.
“Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!” of “Dat verklaar en beloof ik!”