Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij was een waterleidingbedrijf dat de drinkwatervoorziening in Amsterdam verzorgde. Het bedrijf bestond van 1851 tot 1896 en was het eerste waterleidingbedrijf in Nederland. De Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij was de voorloper van de Gemeentewaterleidingen Amsterdam.

Geschiedenis[bewerken]

In steden zoals Amsterdam werd vanouds het drinkwater uit grachten en sloten gehaald. Dit water was echter zwaar vervuild, temeer omdat ook de riolering erop uitkwam. Daarom moest men zijn toevlucht nemen tot de opvang van regenwater en de aanvoer van schoon water uit de Vecht. Eind 18e eeuw werden er waterbakken aangelegd, waarin dit -vrijwel ongezuiverde water- werd bewaard. Dit water werd aan huis verkocht. Andere wijzen om aan water te komen waren het vergaren van hemelwater en het gebruik van pompen, die zich gewoonlijk in de keuken bevonden.

Ondanks deze voorziening braken er regelmatig epidemieën uit van cholera en tyfus. Men ontdekte dat deze ziekten voortkwamen uit het drinken van besmet water. Zo ontstonden er plannen om een drinkwaternet aan te leggen. Het was Jacob van Lennep die het denkbeeld opperde om zoetwater uit de duinen te betrekken en dit naar Amsterdam te vervoeren. De eerste plannen omstreeks 1840 voorzagen in een leiding van uitgeholde boomstammen vanuit de Brouwerskolk te Bloemendaal. Dit was een waterloop die vers duinwater ontving, wat onder meer voor het bierbrouwen werd gebruikt.

Na de cholera-epidemie van 1848 kwam het project in een stroomversnelling. Een door Jacob van Lennep gestimuleerde geldinzamelingscampagne bracht niet het gewenste resultaat, maar met behulp van Engelse geldschieters kon men in 1851 toch de maatschappij oprichten en een aanvang met de werkzaamheden maken. In Londen had men namelijk al ervaring met een waterleidingbedrijf. Aldus kwam er een pompstation bij Vogelenzang waar water uit de duinen werd opgepompt en door gietijzeren leidingen naar de Willemspoort te Amsterdam werd geleid, waar met het water aanvankelijk voor een cent per emmer verkocht. De werken waren gereed in 1853. Het wingebied werd herhaaldelijk uitgebreid en zou uitgroeien tot de Amsterdamse Waterleidingduinen.

Vervolgens werd een waterleidingnet uitgebouwd. Slechts de rijkere inwoners van Amsterdam konden een aansluiting op dit net veroorloven. Aldus nam ook het watergebruik toe. In 1865 werd het waterwingebied uitgebreid, en bij de cholera-epidemie van 1866 vielen in Amsterdam vrijwel geen slachtoffers. Er waren toen 8505 particuliere aansluitingen en 56 tappunten. Vanwege verdere toename van het gebruik werd in 1877 een tweede pijpleiding vanuit de duinen aangelegd.

Overgang naar overheidsbedrijf[bewerken]

Problemen waren onder meer de te hoge tarieven en de soms stagnerende watertoevoer. In 1888 werd een waterleiding vanuit de Vecht aangelegd, met een zuiveringsstation te Weesperkarspel. Dit werd echter ongeschikt verklaard voor drinkwater en mocht enkel voor reinigingsdoeleinden worden gebruikt. Er moesten gescheiden waterleidingnetten komen. Pas omstreeks 1930 was de zuivering van het Vechtwater zover verbeterd dat de leidingnetten konden worden samengevoegd. Aangezien de inwoners weinig Vechtwater afnamen kwam de Maatschappij in financiële moeilijkheden. In 1896 werd deze door de gemeente Amsterdam overgenomen. Sindsdien heette het bedrijf Gemeentewaterleidingen. In 1900 werd door dit gemeentelijk bedrijf een nieuw pompstation aan de Haarlemmerweg in werking gesteld.

Bronnen[bewerken]